ECLI:NL:HR:2007:BA1831

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42882
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake interne compensatie en vertrouwensbeginsel bij eigenwoningaftrek

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van €33.227. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. De Inspecteur had in een brief van 18 augustus 2004 expliciet aangegeven dat voor 2002 alle aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning volledig bij belanghebbende in aanmerking werden genomen, ondanks dat zij niet had gekozen voor fiscaal partnerschap en de woning op naam stond van haar en haar partner. Voor latere jaren zou de aftrek wel verdeeld moeten worden.

Het Hof paste interne compensatie toe en ging niet inhoudelijk in op de aftrekposten, wat belanghebbende betwistte in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het door de Inspecteur gewekte vertrouwen dat alle aftrekbare kosten volledig werden toegerekend, hem verhindert om in beroep daarop terug te komen. Hierdoor kon het beroep op interne compensatie niet slagen. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

De Hoge Raad wees de proceskostenveroordeling af en bepaalde dat de Staat het griffierecht van belanghebbende vergoedt. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en op 30 maart 2007 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

Nr. 42.882
30 maart 2007
HdJ
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 januari 2006, nr. BK-04/03518, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.227, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende heeft in beroep aanspraak gemaakt op twee aftrekposten, te weten de kosten en rente van een verhoging van een hypothecaire geldlening aangaande de eigen woning, en de aftrek van een forfaitair bedrag aangaande een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van twee pleegkinderen. De Inspecteur heeft zich tegen die aftrek verzet met (onder meer) een beroep op interne compensatie, omdat belanghebbende hooguit op de helft van het bedrag aan aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning aanspraak kan maken, terwijl bij de vaststelling van de aanslag de wel aftrekbaar geoordeelde kosten volledig bij haar in aanmerking zijn genomen.
3.2. Het Hof heeft dit beroep op interne compensatie onder 6.1 gehonoreerd en is daardoor aan een inhoudelijke beoordeling van de betwiste aftrekposten niet toegekomen. Daartegen richt zich een klacht van belanghebbende.
3.3. Tot de gedingstukken behoort een brief van 18 augustus 2004 van de Inspecteur waarin deze aankondigt belanghebbendes bezwaar te zullen afwijzen. Daarin schrijft de Inspecteur onder meer:
"Daarnaast is gebleken dat de eigen woning op naam staat van zowel u als uw partner X-Y. Omdat u in de aangifte 2002 niet gekozen heeft voor fiscaal partnerschap zou u de aftrek eigen woning moeten verdelen. De in de eigendomsakte van de betreffende woning genoemde verdeling van eigendom is dan bepalend. Voor het jaar 2002 heeft u dit niet gedaan. Ik zal dit echter niet corrigeren. Voor de jaren daarna moet u wel de aftrek eigen woning verdelen zoals boven omschreven."
Aldus heeft de Inspecteur uitdrukkelijk en zonder voorbehoud te kennen gegeven dat hij voor het onderhavige jaar alle aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning - en dus niet slechts de helft daarvan - bij belanghebbende in aanmerking nam. Het daardoor bij belanghebbende gewekte vertrouwen verhindert dat de Inspecteur vervolgens in beroep op dit standpunt terugkomt en dienaangaande een beroep doet op interne compensatie.
De onder 3.2 vermelde klacht van belanghebbende slaagt derhalve.
3.4. Belanghebbendes klachten tegen 's Hofs oordelen onder 6.2 en 6.3 worden vergeefs voorgedragen. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5. Gelet op hetgeen onder 3.3 hiervoor is overwogen kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2007.