ECLI:NL:HR:2007:BA2922

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/001HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • E.J. Numann
  • A. Hammerstein
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jaarlijkse bonus en vertrekpremie bij bankarbeid: cassatie over bonusberekening

Deze zaak betreft een arbeidsgeschil tussen een werknemer van een bank en ING Bank N.V. over de vraag of een jaarlijks uitgekeerde bonus moet worden meegenomen bij de berekening van de vertrekpremie volgens een Sociaal Plan. De werknemer vorderde betaling van een bedrag dat het verschil zou zijn tussen zijn eigen berekening van de vertrekpremie inclusief bonus en het door ING uitgekeerde bedrag, alsmede vergoeding van niet-betaalde huisvestingskosten en bonus over 2002.

De rechtbank veroordeelde ING tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. ING stelde hoger beroep in, waarna het gerechtshof het vonnis vernietigde en ING slechts veroordeelde tot betaling van de bonus over 2002. Zowel de werknemer als ING stelden vervolgens cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad verwierp zowel het principale als het incidentele cassatieberoep. De klachten van partijen konden niet leiden tot cassatie en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het gerechtshof dat de bonus niet moet worden betrokken bij de vertrekpremie. Tevens werden de proceskosten in cassatie aan beide partijen toegewezen.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoepen en bevestigt dat bonus niet bij vertrekpremie wordt betrokken.

Uitspraak

22 juni 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/001HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, incidenteel verweerder in cassatie,
advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai,
t e g e n
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ING.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 15 januari 2003 ING gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en een vordering ingesteld die na latere vermindering van eis inhield, kort samengevat, ING te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 360.817,14 ten titel van uitkering, zijnde het verschil tussen het door hem becijferde bedrag van € 730.225,14 en het door ING becijferde en uitgekeerde bedrag van € 369.408,--, alsmede van netto € 32.091,33 wegens het niet vergoeden van huisvestingskosten over de periode van 1 mei 2002 tot 1 januari 2003 en van € 34.848,18 wegens het niet toekennen van bonus over het jaar 2002, met rente en kosten.
ING heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een tweetal tussenvonnissen van 11 maart 2003 en 23 september 2003, bij eindvonnis van 2 maart 2004 ING veroordeeld om aan [eiser] te voldoen de som van € 110.423,34 bruto vermeerderd met € 6.900,-- netto, vermeerderd met rente.
Tegen het tussenvonnis van 23 september 2003 en het eindvonnis heeft ING hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 15 september 2005 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende ING veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.900,-- netto terzake bonus over 2002, vermeerderd met rente.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. ING heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 26 april 2007 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 1.501,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt ING in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 juni 2007.