Uitspraak
14 december 2007.
Hoge Raad
De vrouw vorderde vergoeding wegens overbedeling van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning, nadat de man als huurder was aangewezen na echtscheiding. De rechtbank kende haar een bedrag toe, maar het hof wees de vordering af. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug.
De Hoge Raad overwoog dat het huurrecht, dat tijdens het huwelijk gezamenlijk toebehoorde, na echtscheiding niet automatisch een vermogensbestanddeel is dat voor verrekening in aanmerking komt. De voortzetting van de huurovereenkomst wordt geregeld in art. 7:266 lid 5 BW Pro, waarbij de rechter bepaalt wie huurder wordt. Deze beslissing houdt rekening met uiteenlopende belangen, ook immateriële.
Als regel leidt toewijzing van het huurrecht aan één echtgenoot niet tot een vorderingsrecht wegens overbedeling van de andere, tenzij bijzondere omstandigheden zoals een koopoptie of onderverhuur bestaan. De Hoge Raad gaf aan dat de mogelijkheid tot onderverhuur nader moet worden geconcretiseerd om tot verrekening te leiden.
De zaak werd verwezen naar het hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling, waarbij partijen hun stellingen kunnen aanpassen. De Hoge Raad compenseerde de kosten van het cassatieberoep zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak over verrekening huurrecht na echtscheiding door naar ander gerechtshof.