ECLI:NL:HR:2007:BA4296
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- Rechtspraak.nl
Vervoerskosten cliëntvertegenwoordiger als aftrekpost bij ziekte en invaliditeit
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 22.187, die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd maar vervolgens ambtshalve werd verminderd tot ƒ 22.027. Het gerechtshof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en handhaafde de aanslag op het lagere bedrag. De discussie betrof de vraag of een bedrag van ƒ 216 aan kosten van vertegenwoordiging, waaronder vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger, kon worden gerekend tot de uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit zoals bedoeld in artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het hof oordeelde negatief omdat niet was aangetoond dat deze kosten van geneeskundige aard waren en omdat vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger volgens het hof niet onder de aftrekbare vervoerskosten vielen. De Hoge Raad stelde dat vervoerskosten die in rechtstreeks verband staan met het verkrijgen van medische hulp, ook die van een vertegenwoordiger, wel degelijk tot de aftrekbare kosten kunnen behoren. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer de vertegenwoordiger de belastingplichtige begeleidt naar een arts of behandeling, of zelfs wanneer de vertegenwoordiger alleen reist in het kader van zijn taak.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het hof voor zover het de aftrekbaarheid van deze vervoerskosten betrof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van deze uitleg. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de aftrekbaarheid van vervoerskosten van een cliëntvertegenwoordiger.