ECLI:NL:HR:2007:BA4953

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01601/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake bewijsmateriaal en druk bij verklaringen

De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken. Het hof vernietigde het vonnis van de Rechtbank te Roermond en legde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op.

In cassatie stelde de verdachte onder meer dat zijn verklaringen onder druk waren afgelegd en dat het bewijsmateriaal onrechtmatig was verkregen. De Hoge Raad oordeelde dat de vaststelling van feiten die ten grondslag liggen aan de verwerping van een dergelijk verweer niet beperkt is tot de in het vonnis vermelde wettige bewijsmiddelen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het arrest. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

26 juni 2007
Strafkamer
nr. 01601/06
DV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2005, nummer 20/000015-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 27 juni 2003 - de verdachte ter zake van "opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt onder meer over 's Hofs overwegingen inzake de verwerping van het verweer dat de door de verdachte afgelegde verklaringen onder druk zijn afgelegd, en klaagt in het bijzonder over de verwijzing in die overwegingen naar "wat de verdachte zelf bij andere gelegenheden in een ander kader heeft verklaard".
3.2. De in het middel bedoelde overwegingen luiden als in de toelichting op het middel onder 1 weergegeven.
3.3. De klacht berust op de opvatting dat de vaststelling van feiten die ten grondslag worden gelegd aan de verwerping van een verweer dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen, moet berusten op de in de uitspraak vermelde inhoud van wettige bewijsmiddelen. Die opvatting is niet juist (HR 8 december 1981, NJ 1982, 533). De klacht faalt dus.
4. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 juni 2007.