ECLI:NL:HR:2007:BA5037

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03233/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bewezenverklaring en medeplegen voorbereidingshandelingen drugsdelict

De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen door het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen bestemd voor het plegen van een drugsdelict, namelijk de productie en handel in cocaïne en heroïne. De bewezenverklaring bevatte kennelijk ten onrechte de woorden "gelden of andere betaalmiddelen", die volgens de Hoge Raad een misslag zijn en niet toereikend gemotiveerd zijn.

De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag en bevestigt dat de bewijsmiddelen met betrekking tot gelden alleen relevant waren voor een ander feit (schuldheling). De verdachte had samen met haar echtgenoot versnijdingsmiddelen, een zakjessluiter, een grammenweger en andere artikelen voorhanden die bestemd waren voor de productie en verpakking van verdovende middelen.

De verdachte was zich bewust van de aard en het doel van deze voorwerpen en moest redelijkerwijs vermoeden dat de gelden die onder het matras lagen afkomstig waren uit misdrijf. Het cassatieberoep is verworpen omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn en de bewezenverklaring met herstel van de misslag toereikend is.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen drugsdelict met herstel bewezenverklaring.

Uitspraak

3 juli 2007
Strafkamer
nr. 03233/06
SY/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2006, nummer 22/004681-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 juli 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2, 3 en 4 impliciet primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door (naar de Hoge Raad verbeterd leest:) voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit" en 4 impliciet subsidiair "medeplegen van een voorwerp voorhanden hebben, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit met de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen nu daaruit niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de verdachte gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
3.2.1. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, dat:
"zij op of omstreeks 22 maart 2005 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans enig middel voorkomend op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(...)
- voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of haar mededader(s):
een hoeveelheid (van in totaal ongeveer 275 kilogram), althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende coffeïne en/of paracetamol en/of fenacetine en/of inositol, zijnde (telkens) (een) versnijdingsmiddel(en), althans en/of (telkens) (een) andere stof(fen) ten behoeve van de productie van verdovende middelen voorhanden heeft/hebben gehad en/of een zakjessluiter met bijbehorend tape en/of een grammenweger en/of (een) artikel(en) dat/die voor de productie van en/of verpakking van verdovende middelen aldaar gebruikt kon worden voorhanden heeft/hebben gehad."
3.2.2. Daarvan is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op 22 maart 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en/of heroïne voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en haar mededader een hoeveelheid van in totaal 275 kilogram van een materiaal bevattende coffeïne en paracetamol en fenacetine en inositol, zijnde versnijdingsmiddelen ten behoeve van de productie van verdovende middelen en een zakjessluiter met bijbehorend tape en een grammenweger en artikelen die voor de productie van en/of verpakking van verdovende middelen aldaar gebruikt konden worden voorhanden gehad."
3.3. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
"zij op 22 maart 2005, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een geldbedrag van 56.200 euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."
3.4.1. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover hier van belang, in:
"De bewijsmiddelen zijn -ook in hun onderdelen- slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.
Nadere bewijsmotivering
Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en uit hetgeen door verdachte bij eerdere gelegenheden is verklaard, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte zich ervan bewust was dat zij met haar echtgenoot voorwerpen in huis had die bestemd waren voor de bewerking van drugs en de handel in drugs. De combinatie van de grammenweger, een zakjessluiter met bijbehorend tape en grote hoeveelheden versnijdingsmiddel in een woning en in bij die woning behorende toegankelijke ruimtes moet niet alleen maar tot vragen hebben geleid bij de verdachte maar zij moet zich ook van de aard en het doel van de voorwerpen bewust zijn geweest.
In het licht daarvan heeft zij ook redelijkerwijze moeten vermoeden dat de binnenkomende gelden die onder de matras van het echtelijk bed werden bewaard een criminele herkomst hadden."
3.4.2. De strafmotivering houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De verdachte heeft samen met een ander een zeer grote hoeveelheid van verschillende materialen, bevattende coffeïne, paracetamol, inositol en fenacetine, zijnde middelen ten behoeve van de produktie van verdovende middelen voorhanden gehad. Een feit als het onderhavige kan leiden tot de verspreiding en het gebruik van verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd en waardoor ook onder de gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen.
Dit acht het hof maatschappelijk gezien onaanvaardbaar.
Voorts heeft de verdachte samen met haar echtgenoot - medeverdachte [medeverdachte 1] - een groot geldbedrag voorhanden gehad dat onder het matras van hun bed lag, waarvan de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het van misdrijf afkomstig was."
3.5. In de tenlastelegging van feit 1, zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven, komen in het gedeelte beginnende met de woorden "hebbende verdachte...", waarin een nadere feitelijke omschrijving wordt gegeven van het aan de verdachte verweten strafbare handelen, geen gelden of andere betaalmiddelen voor. Blijkens de onder 3.4.1 weergegeven nadere bewijsoverweging heeft het Hof, naar mede kan worden afgeleid uit de onder 3.4.2 vermelde strafmotivering, de bewijsmiddelen voor zover betrekking hebbend op het voorhanden hebben van gelden of betaalmiddelen klaarblijkelijk enkel gebezigd voor het bewijs van de onder 4 tenlastegelegde schuldheling. De hiervoor onder 3.2.2 weergegeven bewezenverklaring van feit 1 is, voor zover inhoudend dat de verdachte 'gelden of andere betaalmiddelen' voorhanden heeft gehad, dan ook niet toereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad neemt aan dat de woorden "gelden of andere betaalmiddelen" als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring van feit 1 zijn opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag.
3.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 juli 2007.