ECLI:NL:HR:2007:BA5325

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00242/06 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 SvArt. 225 SrArt. 82 Wet toezicht Kredietwezen 1992
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, waarin de aanvraagster was veroordeeld voor medeplegen van oplichting, valsheid in geschrifte, overtreding van de Wet toezicht Kredietwezen 1992 en deelname aan een criminele organisatie. Het hof had haar veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en betalingsverplichtingen opgelegd aan diverse benadeelde partijen.

De aanvraag tot herziening werd ingediend door de advocaat van de aanvraagster en betrof een verzoek om herziening op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die tijdens het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht waren gekomen. De Hoge Raad toetste of de aanvraag voldeed aan de wettelijke vereisten van art. 457 en Pro 459 Sv, die voorschrijven dat de aanvraag moet steunen op nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde feiten die het onderzoek zouden kunnen beïnvloeden.

De Hoge Raad oordeelde dat de aanvrage geen nieuwe feiten bevatte die het ernstig vermoeden wekten dat het onderzoek tot een andere uitkomst zou leiden, zoals vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een minder zware strafbepaling. Daarom kon de aanvraag niet worden ontvangen en werd deze niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 8 mei 2007.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die het onderzoek zouden beïnvloeden.

Uitspraak

8 mei 2007
Strafkamer
nr. 00242/06 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2006, nummer 21/005816-05, ingediend door mr. C.A. Boeve, advocaat te Putten, namens:
[aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 9 november 2005, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de aanvraagster ter zake van 1. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, 3. medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid Sr, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, 4. medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 82, eerste lid van de Wet toezicht Kredietwezen 1992, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en 5. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11], [betrokkene 12], [betrokkene 13] en [betrokkene 14] toegewezen en aan de aanvraagster betalingsverplichtingen opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 8 mei 2007.