ECLI:NL:HR:2007:BA6802

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00480/07 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 DouanewetArt. 100 SvArt. 457 SvArt. 2 Opiumwet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden van onrechtmatigheid bewijs

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarbij verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van een Opiumwetdelict en deelname aan een criminele organisatie. Het verzoek richt zich op de vraag of een enveloppe, verzonden via FedEx en bestemd voor de verdachte, onrechtmatig is geopend door de douane, wat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden.

De verdediging stelde dat een binnenenveloppe binnen de FedEx enveloppe door de douane was geopend zonder dat een bevel krachtens de Douanewet was gevraagd, en dat het bewijs daarom onrechtmatig was verkregen. Het hof had echter vastgesteld dat het stortingsbewijs zich in de buitenenveloppe bevond en dat de binnenenveloppe niet was geopend.

De Hoge Raad overweegt dat de nieuwe verklaringen en de aanwezigheid van een sticker 'opened by customs' niet leiden tot een ernstig vermoeden dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, omdat het hof vaststelde dat het betalingsbewijs zich in de buitenenveloppe bevond. Het al dan niet openen van de binnenenveloppe is daarom irrelevant voor de bewijswaardering.

Daarom wordt het herzieningsverzoek afgewezen omdat de nieuwe omstandigheden het onderzoek niet zouden hebben beïnvloed en geen aanleiding geven tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een lichtere straf.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling tot acht jaar gevangenisstraf.

Uitspraak

5 juni 2007
Strafkamer
nr. 00480/07 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 april 2005, nummer 23/004243-03, ingediend door mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland" ("De Geniepoort") te Alphen aan de Rijn.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 13 november 2003 - de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd, houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
Op 10 oktober 2002 is een door Federal Express (verder: FedEx) vervoerde enveloppe, die was bestemd voor de verdachte, geopend door een medewerker van FedEx, genaamd [getuige 1]. Dit gebeurde op instigatie van de douane. In de FedEx enveloppe was een andere enveloppe aanwezig (verder: de binnenenveloppe), die geen FedEx enveloppe was. Deze binnenenveloppe is vervolgens eveneens geopend en deze bleek een stortingsbewijs van USD 200.000.000,- te bevatten.
Nu geen bevel krachtens artikel 26 van Pro de Douanewet is gevraagd, het bepaalde in artikel 100 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd en de FedEx voorwaarden niet van toepassing zijn op het openen van de binnenenveloppe, heeft de douanebeambte [getuige 2] onrechtmatig jegens de verdachte gehandeld.
Naar aanleiding van het aantreffen van dit voor de verdachte bestemde stortingsbewijs is vervolgens een opsporingsonderzoek naar de verdachte gestart en zijn telefoonnummers van de verdachte getapt, op grond waarvan het vermoeden is gerezen dat de verdachte betrokken was bij de invoer in Nederland van verdovende middelen. Al hetgeen hieruit is voortgevloeid kan niet voor het bewijs worden gebruikt, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Op 30 september 2003 hebben de getuigen [getuige 2] (douanebeambte) en [getuige 1] (FedEx-medewerker) bij de
rechter-commissaris verklaard dat [getuige 1] op 10 oktober 2002 de bewuste FedEx enveloppe heeft geopend. Volgens [getuige 1] was het stortingsbewijs verpakt in de FedEx enveloppe. Hij kan zich niet herinneren of zich een binnenenveloppe in de FedEx enveloppe bevond. De FedEx enveloppen zijn standaard. Het openen van een zich in de buitenenveloppe bevindende binnenenveloppe wordt aan de douane overgelaten. De getuige [getuige 2] heeft dienaangaande bij de rechter-commissaris voorts verklaard dat het betalingsbewijs zich tussen twee A-4 vellen in de FedEx buitenenveloppe bevond. In die buitenenveloppe zat nog een binnenenveloppe, die niet door hem geopend is. Deze binnenenveloppe was een standaard enveloppe. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].
Het verweer van de raadsman dat de tweede (binnen)-enveloppe door een medewerker van FedEx dan wel de douane zou zijn geopend mist derhalve feitelijke grondslag."
3.3. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat de zich in de FedEx-enveloppe bevindende binnenenveloppe niet door een medewerker van FedEx dan wel de douane is geopend, aangezien de binnenenveloppe wel degelijk door of op verzoek van de douane is geopend, getuige de op de binnenenveloppe geplakte sticker met de tekst "opened by customs" en de op 9 maart 2006 in het kader van een andere strafzaak tegen de aanvrager bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de hierboven genoemde getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die, nadat aan hen de FedEx-enveloppe was getoond, hebben verklaard dat de aanwezigheid van een dergelijke sticker betekent dat de binnenenveloppe door of vanwege de douane is geopend. De conclusie van de aanvrage luidt dat genoemde omstandigheden het ernstige vermoeden wekken dat, ware het Hof daarmee bekend geweest, het onderzoek (via bewijsuitsluiting) tot vrijspraak zou hebben geleid.
3.4. De aangevoerde omstandigheden kunnen echter niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld. Het Hof heeft in zijn arrest vastgesteld dat het stortingsbewijs zich in de buitenenveloppe bevond. Die vaststelling wordt in de aanvrage niet bestreden. Het is dan ook niet van belang of de binnenenveloppe (ook) is geopend en evenmin of zulks al dan niet rechtmatig is geschied.
3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 juni 2007.