ECLI:NL:HR:2007:BA7624

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/105HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • J.C. van Oven
  • C.A. Streefkerk
  • W.J.M. Davids
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 6:101 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over vergoeding buitengerechtelijke kosten bij eigen schuld in aansprakelijkheidszaak paardrijdongeval

In deze zaak vordert eiseres vergoeding van buitengerechtelijke kosten na een paardrijdongeval waarbij zij letsel opliep. De aansprakelijke verweerder erkende aansprakelijkheid maar ging uit van 50% eigen schuld van eiseres, waardoor slechts de helft van de schade werd vergoed. Eiseres wilde dat de buitengerechtelijke kosten volledig werden vergoed, terwijl verweerder slechts 50% daarvan wilde betalen.

De kantonrechter en het hof wezen de vordering van eiseres af en stelden dat de vergoeding van buitengerechtelijke kosten in dezelfde mate als de primaire schadevergoeding wordt verminderd bij eigen schuld. Eiseres stelde in cassatie dat de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW Pro een volledige vergoeding van deze kosten rechtvaardigt, maar de Hoge Raad verwierp dit standpunt.

De Hoge Raad overwoog dat de redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 BW Pro niet kan leiden tot een hogere vergoeding van buitengerechtelijke kosten dan de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW Pro toestaat. De billijkheidscorrectie is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen en ziet op de ernst van fouten of bijzondere omstandigheden, wat hier niet aan de orde was.

Daarmee bevestigde de Hoge Raad dat bij een schadevergoedingsplicht die verminderd wordt wegens eigen schuld, ook de vergoeding van buitengerechtelijke kosten in dezelfde verhouding wordt verminderd. Het beroep van eiseres werd verworpen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat buitengerechtelijke kosten proportioneel worden verminderd bij eigen schuld.

Uitspraak

21 september 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/105HR
MK/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerster 3],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 15 november 2004 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, te Roermond, locatie Venlo, en gevorderd, kort gezegd, na wijziging van eis, [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.885,82, met rente en kosten, alsmede te verklaren voor recht dat [verweerder] gehouden is de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade in verband met de buitengerechtelijke kosten steeds binnen veertien dagen na declaratiedatum volledig te vergoeden, voorzover deze kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, bij gebreke waarvan wettelijke rente is verschuldigd over het volledige factuurbedrag vanaf veertien dagen na facturering.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 23 maart 2005 de vorderingen van [eiseres] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 13 december 2005 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiseres] heeft, rijdend op een paard van [verweerder] en onder begeleiding van een instructrice van [verweerder], een buitenrit gemaakt.
(ii) Tijdens deze rit is [eiseres], nadat het paard was geschrokken en in galop was gegaan, ten val gekomen. [Eiseres] heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen.
(iii) [Verweerder] is voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Interpolis. Deze heeft aansprakelijkheid voor [verweerder] als bezitter van het paard erkend, maar tevens te kennen gegeven ervan uit te gaan dat sprake is van 50% "eigen schuld" aan de zijde van [eiseres], zodat zij slechts bereid is de helft van de geleden schade te vergoeden. [Eiseres] is hiermee - onder een in cassatie niet terzake doend voorbehoud - akkoord gegaan.
(iv) Tussen partijen is vervolgens onenigheid ontstaan over de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [Eiseres] neemt het standpunt in dat deze kosten volledig dienen te worden vergoed. Interpolis wil niet meer dan 50% van die kosten vergoeden.
3.2 De kantonrechter heeft, ervan uitgaande dat aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden voor 50% hebben bijgedragen aan de door haar geleden ongevalschade, geoordeeld dat [verweerder] slechts de helft van de door [eiseres] gemaakte kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW Pro behoeft te vergoeden. Het hof heeft de tegen dit oordeel gerichte grieven van [eiseres] verworpen.
3.3 Bij de behandeling van de klachten van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Het hof is in zijn rov. 4.4 en 4.5 klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat wanneer een schadevergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW Pro wordt verminderd, ook de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 BW Pro bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate wordt verminderd, zij het dat de billijkheidscorrectie van het slot van art. 6:101 lid 1 kan Pro meebrengen dat de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 bedoelde Pro kosten te vergoeden niet, of niet in gelijke mate als de primaire schadevergoedingsplicht, wordt verminderd. Dit uitgangspunt is juist.
3.4 De onderdelen 2.1 en 4.1 - onderdeel 1 bevat een inleiding - steunen op de rechtsopvatting dat niet alleen de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid Pro 1 - voor de toepassing waarvan het hof in het onderhavige geval geen aanleiding heeft gezien - maar ook de redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 ertoe Pro kan leiden dat het resultaat van de verdeling van de schade op de voet van art. 6:101 lid 1 wat Pro betreft de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 bedoelde Pro kosten te vergoeden wordt gecorrigeerd, en klagen dat het hof zulks (in de rov. 4.5 en 4.7) heeft miskend. Deze klacht faalt, omdat die rechtsopvatting onjuist is. Hoe redelijk kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 ook Pro zijn, die redelijkheid kan niet meebrengen dat de verplichting van de aansprakelijke persoon om die kosten te vergoeden verdergaand in stand blijft dan de billijkheid van art. 6:101 lid 1 in Pro de omstandigheden van het geval eist. Dit brengt mee dat ook de onderdelen 2.2 en 4.2, die met motiveringsklachten voortbouwen op de hiervoor verworpen rechtsopvatting, ongegrond zijn.
3.5 Onderdeel 3.1 is gericht tegen de verwerping door het hof (in rov. 4.6) van het beroep dat [eiseres] heeft gedaan op de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid Pro 1. [Eiseres] had dienaangaande aangevoerd dat die billijkheidscorrectie dient mee te brengen dat een letselschadeslachtoffer zich voor noodzakelijke gespecialiseerde rechtsbijstand tot een advocaat kan wenden, en daarvan niet behoeft af te zien omdat hij zelf een deel van de kosten van die advocaat zal moeten dragen, en dat daarom de billijkheid meebrengt dat de kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen. Het hof oordeelde hierover dat hetgeen [eiseres] aldus in zijn algemeenheid aanvoert, niet onder de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 is Pro te vangen, nu de daarbedoelde toets immers ziet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het concrete geval. De enkele omstandigheid dat [verweerder] verzekerd is, acht het hof in deze niet relevant, waarmee het hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat ook die omstandigheid niet meebrengt dat de billijkheid in de omstandigheden van dit geval een andere verdeling dan bij helfte eist. Deze oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de rechtsklacht van het onderdeel faalt. Ook de motiveringsklacht van het onderdeel faalt, nu het hof niet gehouden was nader in te gaan op de, weinig concrete, stellingen die [eiseres] aan haar beroep op de billijkheidscorrectie ten grondslag heeft gelegd.
3.6 Onderdeel 3.2 bestaat uit een motiveringsklacht die het hof verwijt in zijn rov. 4.6 te zijn voorbijgegaan aan de stelling van [eiseres] dat in een geval als het onderhavige, waarin niet gediscussieerd is over de schulddeling en waarin de buitengerechtelijke werkzaamheden slechts ten doel hebben gehad dat de benadeelde die schadevergoeding krijgt waarop hij volgens de schulddeling recht heeft, de billijkheid meebrengt dat van de hoofdregel wordt afgeweken en de buitengerechtelijke kosten volledig voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat de onderhavige stelling van [eiseres] in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de president W.J.M. Davids op 21 september 2007.