ECLI:NL:HR:2007:BA7729
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking vrijstellingsvergunningen invoerrechten
Belanghebbende had in 1996 vergunningen ontvangen voor vrijstelling van douanerechten en omzetbelasting bij invoer van een personenauto vanwege verhuizing van Roemenië naar Nederland. In 1998 trok de Inspecteur deze vergunningen in en stelde belanghebbende tot betaling van de belastingen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de intrekking, maar de Inspecteur verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk.
Belanghebbende ging in beroep bij de Tariefcommissie en het Hof, die het bezwaar ontvankelijk verklaarden en de intrekking van de vergunningen handhaafden. De Staatssecretaris stelde incidenteel cassatieberoep in tegen deze uitspraak, terwijl belanghebbende ook in cassatie ging tegen het hofarrest.
De Hoge Raad oordeelt dat de intrekking van de vergunningen na het in het vrije verkeer brengen van de goederen geen besluit is dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Hierdoor is het bezwaar niet-ontvankelijk. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het principale beroep van belanghebbende ongegrond en het arrest van het hof wordt vernietigd. De Hoge Raad kan de zaak afdoen zonder verdere behandeling.
Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd. De uitspraak bevestigt dat de intrekking van vrijstellingsvergunningen na het in het vrije verkeer brengen van goederen niet kan worden aangevochten via bezwaar en beroep, maar dat invordering van ten onrechte niet geheven rechten via andere wettelijke procedures dient te geschieden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de vrijstellingsvergunningen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.