ECLI:NL:HR:2007:BA7738
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling energie-investeringsaftrek voor warmtekrachtinstallatie en onderdelen
Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend voor energie-investeringsaftrek voor een warmtekrachtinstallatie met een investeringsbedrag van €7.152.000. De Minister van Economische Zaken wees de aanvraag deels toe: de warmtekrachtinstallatie werd erkend als energie-investering, maar het dieselaggregaat en de tweede afgassenketel niet, omdat deze niet technisch noodzakelijk of uitsluitend dienstbaar zouden zijn aan de warmtekrachtinstallatie.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en handhaafde het beleidsuitgangspunt van de Minister dat alleen technisch noodzakelijke en uitsluitend dienstbare voorzieningen tot de bedrijfsmiddelen behoren die voor de energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het College een onjuiste maatstaf hanteerde bij de uitleg van het begrip 'bedrijfsmiddelen', maar de Hoge Raad verwierp dit verweer omdat het oordeel van het College slechts betrekking had op de aanwijzing van energie-investeringen en niet op de definitie van bedrijfsmiddelen.
Ook het tweede middel van belanghebbende faalde omdat het niet ging over de uitleg van de begrippen 'investering' of 'bedrijfsmiddel' en cassatie daarop niet mogelijk is. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het dieselaggregaat en de tweede afgassenketel niet als energie-investering worden aangemerkt.