ECLI:NL:HR:2007:BA7771

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03589/06 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 SvArt. 91 Organisatiewet sociale verzekeringen 1997Art. 1 Regeling Staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid 30 mei 1989
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage uit 2005, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk overtreden van sociale zekerheidsverplichtingen door een rechtspersoon. De straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, een werkstraf van 240 uur en subsidiair 120 dagen hechtenis.

De aanvrage tot herziening werd ingediend met het verzoek om het vonnis te herzien op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht waren gekomen. Volgens artikel 457 Sv Pro kunnen alleen nieuwe feiten die een ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid, grond zijn voor herziening.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek en concludeerde dat de aangevoerde omstandigheden niet voldeden aan deze criteria. Er werden geen nieuwe feiten of bewijsmiddelen aangedragen die het onderzoek wezenlijk zouden beïnvloeden. Daarom werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 12 juni 2007.

Uitkomst: Verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken nieuwe feiten.

Uitspraak

12 juni 2007
Strafkamer
nr. 03589/06 H
IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 8 september 2005, nummer 09/017050-04, ingediend door mr. P.A.L.C. Lamme, advocaat te Zoetermeer, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van telkens opzettelijk overtreden van een in artikel 91 van Pro de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 jo. de artikelen 1 en 3 van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 1989, Stcrt. 1989, 107, bedoelde verplichting niet nakomen, (de Hoge Raad leest: begaan door een rechtspersoon,) terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en 2. "medeplegen van telkens opzettelijk een in artikel 10 van Pro de Coördinatiewet sociale verzekering jo een in artikel 8, 2 en 13 van het Loonadministratiebesluit bedoelde verplichting niet nakomen, (de Hoge Raad leest: begaan door een rechtspersoon,) terwijl hij telkens feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 bedoeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 juni 2007.