ECLI:NL:HR:2007:BA7923

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02902/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J.M. Corstens
  • J.P. Balkema
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 420quater SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van witwassen eigen misdrijf en voorhanden hebben geld

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 2 oktober 2007 uitspraak gedaan over het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van witwassen, medeplegen van oplichting en deelname aan een criminele organisatie. Het hof had vastgesteld dat verdachte en zijn mededaders meerdere malen grote geldbedragen, verkregen uit misdrijven, hadden voorhanden gehad.

De verdediging voerde aan dat het enkel voorhanden hebben van geld dat uit eigen misdrijf afkomstig is, zonder verdere witwashandelingen, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. De Hoge Raad oordeelde dat de wetsgeschiedenis van de witwasartikelen (art. 420bis t/m 420quater Sr) duidelijk maakt dat het voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf wel degelijk strafbaar is als witwassen. Dit onderscheidt zich van de heling, waar de heler-steler-regel geldt.

De Hoge Raad verwierp het verweer dat de verdachte niet kan worden veroordeeld voor witwassen omdat hij zelf de opbrengsten had geïnd. Ook het argument dat het enkele voorhanden hebben onvoldoende is om witwassen aan te nemen, werd afgewezen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de strafbaarheid van het voorhanden hebben van opbrengsten uit eigen misdrijf als witwassen en verwierp het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen van witwassen, medeplegen van oplichting en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02902/06
SM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 januari 2006, nummer 23/000835-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 27 januari 2005 - de verdachte ter zake van 1, 2 en 3 "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd", 4 primair "medeplegen van een gewoonte maken van witwassen" en 5 "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. M.J.C. Zuurbier, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het enkel voorhanden hebben van geld dat door eigen misdrijf is verkregen en ten aanzien waarvan de verdachte geen witwashandelingen heeft verricht niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
3.2. Overeenkomstig de tenlastelegging, welke is toegesneden op art. 420ter Sr, heeft het Hof ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 23 januari 2003 tot en met 10 december 2003 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en verdachtes mededaders meermalen geldbedragen tot een totaal van ongeveer 1.682.952 euro, althans geldbedragen, verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen -onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf."
3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ter zake van het onder 4 tenlastegelegde betoogd -zo begrijpt het hof- dat het enkel voorhanden hebben van geld dat van misdrijf afkomstig is niet kan worden gekwalificeerd als witwassen en voorts dat door verdachte zelf geïnde bedragen niet onder witwassen kunnen worden gebracht.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de wetsgeschiedenis betreffende de strafbaarstelling van witwassen leidt het hof af dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen ook het "voorhanden hebben" van voorwerpen op te nemen in artikel 420 bis Pro onder b. Met deze keuze werd niet alleen een (nog) betere aansluiting beoogd met de Europese richtlijnen op dit punt. Ook wilde de wetgever voorkomen dat het openbaar ministerie ten aanzien van deze vorm van witwassen zou moeten terugvallen op de bestaande helingbepalingen met de daaraan verbonden beperking, gelegen in de zogenaamde heler-steler-regel; een beperking die de wetgever bij de witwasartikelen niet meer wenselijk achtte. De Memorie van Toelichting vermeldt hieromtrent (MvT, kamerstukken II, 1999-2000, 27159, nr. 3, p. 7):
"Op de voorgestelde bepalingen is de heler-steler-regel niet van toepassing zodat witwassen strafbaar is ongeacht of het betreft door eigen misdrijf verkregen opbrengsten dan wel de opbrengst van andermans misdrijf."
De wetgever benadrukt in de Memorie van Toelichting voorts de eigen aard van het witwassen ten opzichte van de helingbepalingen. Waar bij heling het begunstigende karakter voorop staat, het profiteren van andermans misdrijven, gaat het bij het witwassen om de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en de bedreiging van de openbare orde.
(...) Voor de stelling van de raadsman dat bedragen niet door dezelfde persoon geïnd èn witgewassen kunnen worden, kan –onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is aangegeven– geen steun gevonden worden in wet of wetsgeschiedenis.
De verweren van de raadsman worden mitsdien verworpen."
3.4. Gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 en op de in zoverre ook door het Hof aangehaalde geschiedenis van de totstandkoming van art. 420bis tot en met 420quater Sr behoeft, anders dan het geval is bij heling, als gevolg van de eigen aard van de in die bepalingen omschreven misdrijven, de herkomst van het voorwerp uit een eigen misdrijf niet aan een veroordeling wegens –kort gezegd- witwassen in de weg te staan. Voorts biedt noch de tekst van die bepalingen noch de wetsgeschiedenis steun aan de opvatting van het middel dat het enkele voorhanden hebben van een voorwerp onvoldoende is om dit als witwassen aan te merken.
3.5. In zoverre kan het middel dan ook geen doel treffen.
4. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 oktober 2007.