ECLI:NL:HR:2007:BA7929

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03314/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359.3 SvArt. 415 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende weergave bewijsmiddelen en overschrijding redelijke termijn

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof te Leeuwarden de verdachte veroordeeld voor valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften, waarbij hij opdracht gaf en feitelijke leiding gaf aan de rechtspersoon die de feiten pleegde. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder schriftelijke stukken en aangiften.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof in het bestreden arrest slechts een opsomming van bewijsmiddelen gaf zonder de inhoud daarvan adequaat weer te geven. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke motivering op basis waarvan de bewezenverklaring kan worden afgeleid, zoals vereist in artikel 359, derde lid, Sv in verbinding met artikel 415 Sv Pro. Dit leidt tot vernietiging van het arrest.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden in de cassatiefase. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Leeuwarden voor een hernieuwde berechting, waarbij de termijnoverschrijding bij strafoplegging in aanmerking moet worden genomen.

De Hoge Raad bevestigt dat het middel dat klaagt over de termijnoverschrijding terecht is en dat het middel dat betreft de inhoud van bewijsmiddelen gegrond is. Andere middelen behoeven geen bespreking. Het arrest is gewezen door de president en raadsheren en uitgesproken op 2 oktober 2007.

Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van de termijnoverschrijding.

Uitspraak

2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 03314/06
DV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 17 februari 2006, nummer 24/002105-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen van de Rechtbank te Assen van 8 december 2004 - de verdachte ter zake van 1. primair "valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven", 2. primair "valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven", 3. primair "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven" en 4. primair "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt dat niet alle bewijsmiddelen de inhoud weergeven van de geschriften waarnaar die bewijsmiddelen verwijzen.
3.2. Die bewijsmiddelen zijn in de aanvulling op het verkort arrest als volgt weergegeven:
"22. Een drietal arbeidsovereenkomsten, als bijlagen D-51, D-52 en D-53 gevoegd bij het onder 1 vermelde dossier, betreffende [betrokkene 1].
23. Een twaalftal schriftelijke stukken, te weten twaalf aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen, als bijlage C-2-2 gevoegd bij het onder 1 vermelde dossier, ten name van [A] B.V. [A], betreffende de periode van januari 1995 tot en met december 1995.
24. Een schriftelijk stuk, te weten een jaarloonopgave 1996, als bijlage C-4 gevoegd bij het onder 1 vermelde dossier.
25. Schriftelijke stukken, te weten twaalf aangiften omzetbelasting, als bijlage C-1 gevoegd bij het onder 1 vermelde dossier, ten name van [A] B.V. [A], betreffende de tijdvakken januari 1995 tot en met december 1995.
26. Een schriftelijk stuk, te weten een onder bijlage B 3 bij het onder 1 vermelde dossier gevoegd rapport van de Belastingdienst Ondernemingen te Emmen betreffende de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996 en de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997 van [A] B.V., d.d. 2 juli 1998 opgemaakt door [betrokkene 2]."
In de aanvulling op het verkort arrest is de inhoud van de stukken, genoemd in de hiervoor geciteerde bewijsmiddelen niet weergegeven.
In die aanvulling is voorts nog vermeld:
"De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het hem als voormeld ten laste gelegde heeft begaan, in voege als na te melden."
3.3. Nu het bestreden arrest niet de inhoud van die bewijsmiddelen behelst en zonder deze inhoud de bewezenverklaring op essentiële onderdelen niet uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is niet voldaan aan het in art. 359, derde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro neergelegde, ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan moet steunen op de inhoud van de in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
3.4. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4. Beoordeling van het vierde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het vijfde middel
5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.
5.2. De verdachte heeft op 28 februari 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 30 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden
teruggewezen zal in geval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken.
6. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste en het tweede middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 oktober 2007.