ECLI:NL:HR:2007:BA8048

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41325
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.W. van den Berge
  • L. Monné
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.22 Wet IB 2001Art. 18 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001Art. 19 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waarde bepaling recht van gebruik en bewoning bij overdracht woning voor belastingheffing

Belanghebbende heeft in 1990 haar woning overgedragen aan haar twee kinderen, met het voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning, vastgelegd in een notariële akte. Na de overdracht bleef zij in de woning wonen. In het geschil stond centraal hoe de waarde van dit genotsrecht moest worden vastgesteld voor de heffing van inkomstenbelasting.

De Inspecteur stelde dat de waarde van het recht van gebruik en bewoning moest worden afgeleid van de waarde van de woning in vrij opleverbare staat, terwijl belanghebbende een lagere waarde bepleitte vanwege het waardedrukkende effect van de bewoning. De Hoge Raad oordeelde dat volgens artikel 5.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 de waarde van het genotsrecht wordt gesteld op het gekapitaliseerde bedrag van de jaarlijkse voordelen, welke worden berekend als 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen.

De Hoge Raad verduidelijkte dat de waarde van de woning in het economische verkeer de prijs is die bij aanbieding op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou worden betaald. Omdat het recht van gebruik en bewoning wordt weggedacht, moet de woning worden aangeboden in ontruimde staat. Het hof had dit juist beoordeeld en het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.

De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en sprak het arrest uit op 29 juni 2007.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de waarde van het recht van gebruik en bewoning wordt vastgesteld op basis van de waarde van de woning in vrij opleverbare staat.

Uitspraak

Nr. 41.325
29 juni 2007
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 september 2004, nr. 03/01216, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. Belanghebbende heeft in 1990 de eigendom van haar woning overgedragen aan haar twee kinderen, onder het voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning. Een en ander is vastgelegd in een notariële akte. Na de eigendomsoverdracht is belanghebbende in de woning blijven wonen.
3.2. Voor het Hof was in geschil of, met het oog op de bepaling van de heffingsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen, de waarde van het recht van gebruik en bewoning moet worden afgeleid van de waarde van de onroerende zaak in vrij opleverbare staat (standpunt Inspecteur), dan wel van een lagere waarde omdat een waardedrukkend effect toegekend moet worden aan de bewoning van de onroerende zaak (standpunt belanghebbende).
3.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 5.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 18 en 19 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 wordt de waarde van een genotsrecht gesteld op het gekapitaliseerde bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid, waarbij die jaarlijkse voordelen worden gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen. In het onderhavige geval betekent dit dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woning in het economische verkeer, waarbij het recht van gebruik en bewoning moet worden weggedacht.
3.4. Waar het gaat om de waarde van een onroerende zaak waarin geregeld handel wordt gedreven, moet onder de waarde in het economische verkeer worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.
3.5. Indien, zoals in het onderhavige geval, bij de waardebepaling moet worden uitgegaan van de waarde van de woning waarbij het recht van gebruik en bewoning wordt weggedacht, dient - nu uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt van (een stelling inzake) enig ander gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen (markt-)gegadigden voor die woning - onder aanbieding op de meest geschikte wijze te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat.
3.6. 's Hofs oordeel dat de waarde van het genotsrecht moet worden afgeleid van de waarde van de onroerende zaak in vrij opleverbare staat is derhalve juist.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2007.