ECLI:NL:HR:2007:BA8511
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen schending redelijke termijn bij ISD-maatregel ondanks vijf maanden tussen eerste aanleg en hoger beroep
In deze strafzaak stond de oplegging van de ISD-maatregel centraal. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar. Het hof sprak de verdachte vrij van diefstal en legde de ISD-maatregel op. De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn, omdat er ruim vijf maanden zaten tussen de behandeling in eerste aanleg en hoger beroep.
Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat geen sprake was van een schending van de redelijke termijn, mede gelet op de systematiek van de ISD-maatregel. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de opvatting dat een tijdsverloop van ruim vijf maanden tussen eerste aanleg en hoger beroep automatisch een schending van art. 6 EVRM Pro inhoudt, onjuist is.
De Hoge Raad benadrukte dat art. 38n Sr de rechter de mogelijkheid biedt om bij het bepalen van de duur van de maatregel geen rekening te houden met de preventieve hechtenis indien aftrek daarvan de behandelmogelijkheden zou doorkruisen. Daarnaast dient de tijd tussen inverzekeringstelling en berechting zo kort mogelijk te zijn, wat een voortvarende behandeling in eerste aanleg en hoger beroep vereist.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof. Hiermee werd het beroep van de verdachte afgewezen en bleef de opgelegde ISD-maatregel van kracht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de oplegging van de ISD-maatregel ondanks het tijdsverloop tussen eerste aanleg en hoger beroep.