ECLI:NL:HR:2007:BA9611
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid voorzieningenrechter bij geschil over externe werking vennootschapsbesluit
In deze zaak stond de vraag centraal welke rechter bevoegd is bij een geschil over de geldigheid en externe werking van een besluit van een vennootschap. Audilux Science B.V. had een licentieovereenkomst gesloten die door de bewindvoerder van Audilux werd betwist vanwege een nietig aandeelhoudersbesluit. Eiser stelde dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bevoegd was, omdat zij daar woonachtig waren, terwijl Audilux c.s. de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage als bevoegd aanmerkte.
De voorzieningenrechter en het hof verwierpen het beroep op relatieve onbevoegdheid en wezen de rechtbank 's-Gravenhage aan als bevoegde rechter op grond van art. 105 Rv Pro. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat art. 105 Rv Pro. niet strikt beperkt moet worden tot interne vennootschapsgeschillen, maar ook ziet op geschillen over de externe rechtsgevolgen van vennootschapsbesluiten.
De parlementaire geschiedenis en samenhang met art. 6 Rv Pro. en art. 2:15 BW Pro ondersteunen een ruime uitleg van art. 105 Rv Pro. De alternatieve bevoegdheid van de rechter van de plaats van vestiging van de vennootschap geldt ook indien eerst een oordeel over de interne werking van het besluit moet worden gegeven. Dit voorkomt splitsing van procedures. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de plaats van vestiging van de vennootschap en wijst het cassatieberoep af.