ECLI:NL:HR:2007:BB1467
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van CSV ondanks onkostenvergoeding
Belanghebbende werd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde premies sociale werknemersverzekeringswetten over de periode van maart tot juli 1994. Het Lisv baseerde dit op artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de Rechtbank Arnhem, dat ongegrond werd verklaard. Het hoger beroep bij de Centrale Raad bevestigde deze uitspraak.
Belanghebbende stelde in cassatie dat in het loon van haar Poolse werknemers een onkostenvergoeding was begrepen die als onbelaste vergoeding volgens artikel 6, lid 1, letter k, CSV moest worden aangemerkt, waardoor het aanslagbedrag onjuist zou zijn. De Hoge Raad overwoog dat een vergoeding die strekt ter bestrijding van kosten alleen als zodanig kan worden aangemerkt indien deze afzonderlijk is vastgesteld. In deze zaak was dat niet het geval. Het oordeel van de Centrale Raad dat geen afzonderlijk vastgestelde onkostenvergoeding bestond, is een feitelijke beoordeling die in cassatie niet kan worden getoetst.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Daarmee blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid van belanghebbende voor de premies onverminderd van kracht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft bevestigd.