ECLI:NL:HR:2007:BB3931

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41165
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over arbeidskostenforfait en Nedeco-aftrek in inkomstenbelasting

Belanghebbende was in 1997 gedurende het gehele jaar in loondienst werkzaam in het buitenland en had aanspraak op de Nedeco-aftrek over de periode 1 augustus tot en met 18 september. De Inspecteur had een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd die na bezwaar werd gehandhaafd. Het hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag uitsluitend voor de inkomstenbelasting.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het arbeidskostenforfait niet had toegepast over de perioden buiten de Nedeco-aftrek. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit forfait wel had moeten meenemen en dat de aanslag daarom verder verminderd moest worden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, behoudens de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 102.497 met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ 70.499. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslag inkomstenbelasting met toepassing van het arbeidskostenforfait.

Uitspraak

Nr. 41.165
21 september 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 augustus 2004, nr. 99/01689, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd uitsluitend voor zover het de inkomstenbelasting betreft. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij zich ten aanzien van de eerste klacht refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is gedurende het gehele jaar buitenslands in loondienst werkzaam geweest. Hij was in het onderhavige jaar ingezetene van Nederland. Over de periode van 1 augustus tot en met 18 september had hij aanspraak op de zogenoemde Nedeco-aftrek.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende buiten de zojuist genoemde periode geen aanspraak had op de Nedeco-aftrek.
3.3. De eerste klacht betoogt dat het Hof, indien zijn hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel juist mocht zijn, ten onrechte het arbeidskostenforfait als bedoeld in artikel 37, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet in aanmerking heeft genomen over de perioden 1 januari tot en met 31 juli en 19 september tot en met 31 december.
3.4. In het verweerschrift ligt besloten dat dit betoog volgens de Staatssecretaris strookt met de bedoeling van de in BNB
1995/84 en BNB 2000/72 gepubliceerde versies van de Nedeco-regeling. Dit moet leiden tot gegrondbevinding van de klacht.
3.5. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het belastbare inkomen dient te worden verminderd met ƒ 2598 tot ƒ 102.497, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een bedrag van ƒ 70.499.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,
vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.497, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een bedrag van ƒ 70.499,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.