ECLI:NL:HR:2007:BB4403
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrek eigen woning bij lening vóór 2001 en uitgaven na 1 januari 2001
Belanghebbende had in 2000 zijn hypothecaire lening verhoogd en bracht de rente over het gehele bedrag in aftrek bij de aangifte inkomstenbelasting 2001. De Inspecteur accepteerde slechts een deel van de schuld en weigerde een deel van de renteaftrek. Het Hof oordeelde dat de verhoging van de lening, behalve een bedrag op een depotrekening, niet kon worden aangemerkt als een eigenwoningschuld voor aftrek, omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de lening was gebruikt voor verbetering of onderhoud van de woning na 1 januari 2001.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor aftrek van rente op een lening voor onderhoud of verbetering bij de belastingplichtige ligt. Volgens artikel 3.123 Wet IB 2001 moet voor uitgaven na 1 januari 2001 schriftelijk bewijs worden geleverd. Het Hof mocht oordelen dat het bewijs ontbrak en dat contante betalingen uit 1994 en 1999 niet konden worden toegerekend aan de lening uit 2000.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is en dat de klachten tegen de bewijswaardering en de rechtsopvatting falen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag en weigering van renteaftrek bevestigd.