ECLI:NL:HR:2007:BB4751

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43331
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 57a Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over berekening belastbaar inkomen 1998

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting en een boete opgelegd. Het hof vernietigde de boetebeschikking, handhaafde de aanslag echter en stelde het belastbaar inkomen hoger vast dan door belanghebbende aangegeven. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte een bedrag wegens te veel verrekend verlies had meegenomen in de berekening van het belastbaar inkomen. Hierdoor moest het belastbaar inkomen worden verminderd tot ƒ 156.468, lager dan het oorspronkelijke aanslagbedrag.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de aanslag en proceskosten betrof, stelde de aanslag bij, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. Middel 3 werd verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang bevatte.

Deze uitspraak bevestigt het belang van correcte verliesverrekening bij de vaststelling van het belastbaar inkomen en benadrukt de zorgvuldigheid die belastingautoriteiten en rechters moeten betrachten bij de beoordeling van aanslagen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest, vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 156.468 en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

Nr. 43.331
5 oktober 2007
gewezen op het beroep in cassatie van X2 te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 april 2006, nr. 03/02096, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De aanslag en de boetebeschikking zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel 1 richt zich tegen 's Hofs berekening van het belastbare inkomen van 1998, in onderdeel 5.8.1 van zijn uitspraak.
Het middel slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen geen bedrag was begrepen ter zake van verliesverrekening. Het Hof heeft, uitgaande van het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen, derhalve ten onrechte bij wege van interne compensatie een bedrag wegens te veel verrekend verlies in aanmerking genomen. Het belastbare inkomen moet daarom worden gesteld op ƒ 156.468, dat is een lager bedrag dan waarover de aanslag is berekend.
3.2. Tussen partijen is in cassatie niet in geschil dat na gegrondbevinding van middel 1 ook middel 2 slaagt. De Inspecteur zal derhalve worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.
3.3. Middel 3 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4. Uit het hiervoor in 3.1 en 3.2 overwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen omtrent de aanslag en de proceskosten, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 156.468, waarvan een bedrag van ƒ 5700 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P.J. van Amersfoort, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.