ECLI:NL:HR:2007:BB4770

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/247HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.C. Kop
  • J.C. van Oven
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid huisarts voor consulten

In deze zaak vordert eiser, een voormalige patiënt, vergoeding van materiële en immateriële schade wegens vermeende toerekenbare tekortkomingen en onrechtmatige daad van zijn huisarts, verweerder. De rechtbank Maastricht wees de vordering af, welke beslissing door het gerechtshof 's-Hertogenbosch werd bekrachtigd. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen van het cassatieberoep en concludeerde dat deze niet tot cassatie konden leiden. De klachten van eiser waren niet zodanig dat zij rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het principale beroep.

Daarmee verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding. Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep van verweerder kwam niet meer aan de orde. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen dat de huisarts niet aansprakelijk is voor de door eiser gestelde tekortkomingen in de verleende consulten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de eerdere afwijzing van zijn vordering wordt bevestigd.

Uitspraak

19 oktober 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/247HR
MK/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. J.D. Boetje,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 27 februari 2003 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen de materiële en immateriële schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad van [verweerder], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 14 juli 2004 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 9 mei 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het principale beroep.
3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu de middelen in het principale beroep falen, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 19 oktober 2007.