ECLI:NL:HR:2007:BB4938

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02494/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 365a SvArt. 9 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsopgave en bekennende verklaring in cassatie strafzaak wegenverkeerswet

In deze strafzaak werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had volstaan met een opgave van bewijsmiddelen zonder de inhoud van zijn bekennende verklaring in het proces-verbaal of arrest op te nemen.

De Hoge Raad overwoog dat deze stelling onjuist is. Wanneer een bekennende verklaring elders dan ter terechtzitting is afgelegd, hoeft de inhoud daarvan niet in het proces-verbaal van de terechtzitting of in het arrest te worden opgenomen. Wel moet het wettig bewijsmiddel waarop die verklaring is gebaseerd, met voldoende duidelijkheid in het arrest worden aangeduid.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep omdat het middel faalde en er geen reden was om het arrest ambtshalve te vernietigen. De bestreden uitspraak bleef daarmee in stand en de veroordeling van de verdachte werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft in stand.

Uitspraak

6 november 2007
Strafkamer
nr. 02494/06
ZK/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 mei 2006, nummer 22/007341-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1941, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 8 juni 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, terwijl de bekennende verklaring van de verdachte niet is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting of in het arrest.
3.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Het Hof is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan, nu de verdachte het feit heeft bekend.
1. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond District 1, nr. 14.10.2002.2110.007518, d.d. 3 januari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in de bekennende verklaring van de verdachte."
3.3. Het middel berust klaarblijkelijk op de opvatting dat wanneer de rechter volstaat met een opgave van bewijsmiddelen zoals bedoeld in art. 359, derde lid tweede volzin, Sv, de inhoud van de bekennende verklaring, ook in het geval deze elders dan ter terechtzitting is afgelegd, moet worden opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel in het vonnis of arrest. Die opvatting is niet juist. Wel zal, indien het gaat om een elders dan ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring, het wettig bewijsmiddel waaraan die verklaring is ontleend, met voldoende duidelijkheid in het vonnis of arrest dienen te worden aangeduid.
3.4. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 november 2007.