ECLI:NL:HR:2008:AZ9086
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling urencriterium zelfstandigenaftrek bij werkzaamheden in samenwerkingsverband
Belanghebbende en haar echtgenoot startten in 1999 een vennootschap onder firma (VOF) die zich bezighield met advisering op het gebied van hei- en fundatietechniek en onderhoudswerkzaamheden. In 2001 verrichtte belanghebbende correctiewerkzaamheden voor een derde partij, deels in loondienst en deels op factuurbasis, welke omzet werd toegerekend aan de VOF.
De Inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premies op die na bezwaar werden gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan het urencriterium van artikel 3.6, lid 1, Wet IB 2001, omdat haar werkzaamheden binnen de VOF hoofdzakelijk van ondersteunende aard waren en de correctiewerkzaamheden niet ten behoeve van de VOF werden verricht.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte niet had beoordeeld of haar correctiewerkzaamheden, die meer dan 30% van haar ondernemingsuren omvatten en omzet genereerden, niet van ondersteunende aard waren. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht per onderneming binnen het samenwerkingsverband heeft beoordeeld en dat de correctiewerkzaamheden buiten beschouwing moesten blijven. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor veroordeling in proceskosten en bevestigde hiermee de rechtspraak omtrent het urencriterium en de toepassing van artikel 3.6, lid 2, letter a, Wet IB 2001.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; belanghebbende voldeed niet aan het urencriterium voor zelfstandigenaftrek.