ECLI:NL:HR:2008:BA6418
Hoge Raad
- Cassatie
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip 'opbrengst bij vervreemding' in vennootschapsbelasting en vervangingsreserve
Belanghebbende, X1 B.V., was in geschil met de Inspecteur over de omvang van de vervangingsreserve in de vennootschapsbelasting over 1999. De dochtermaatschappij X2 B.V. had vijf vakantiewoningen verkocht met een bruto boekwinst van ƒ 139.000. Belanghebbende had deze winst in de vervangingsreserve opgenomen, terwijl de Inspecteur de reserve neerwaarts corrigeerde met de verkoopkosten van ƒ 123.081.
De Rechtbank oordeelde dat de vervangingsreserve moet worden gesteld op de netto-opbrengst, dus na aftrek van de direct aan de vervreemding toe te rekenen kosten. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat de wetgever met de vervangingsreserve een faciliteit beoogt om liquiditeits- en rentenadelen bij vervanging van bedrijfsmiddelen te voorkomen.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees de proceskostenveroordeling af. Hiermee is bevestigd dat onder 'opbrengst bij vervreemding' in artikel 14 Wet Pro IB 1964 de netto-opbrengst wordt verstaan.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de vervangingsreserve moet worden berekend op de netto-opbrengst na aftrek van verkoopkosten.