ECLI:NL:HR:2008:BB7683
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking inzake beslag en rechthebbendheid op geldbedrag
In deze zaak stond centraal de beoordeling van een beklag over het voortduren van beslag op een geldbedrag dat op grond van artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering was gelegd. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond omdat de klaagster niet buiten redelijke twijfel had aangetoond rechthebbende te zijn van het inbeslaggenomen bedrag.
De klaagster stelde dat het geldbedrag van €19.000 aan haar toebehoorde en onderbouwde dit met bankafschriften en een toelichting over de bedoelingen met het geld, waaronder pogingen tot aanschaf van een graafmachine. De rechtbank vond echter dat de klaagster niet voldoende bewijs had geleverd om haar rechthebbendheid aan te tonen en hanteerde daarbij een te strenge maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een onjuiste maatstaf had toegepast door te eisen dat de rechthebbendheid buiten redelijke twijfel moest zijn aangetoond. De juiste maatstaf vereist dat de rechtbank beoordeelt of de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling op basis van de juiste maatstaf.
De uitspraak benadrukt het belang van een correcte juridische toetsing bij beklagprocedures over beslag en de bescherming van rechten van derden die als niet-beslagene hun rechthebbendheid op een inbeslaggenomen goed stellen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling op de juiste maatstaf inzake rechthebbendheid op het inbeslaggenomen geldbedrag.