ECLI:NL:HR:2008:BB7763

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41623
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 aanhef en letter j sub 3 Wet op de loonbelasting 1964Art. 5a Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990Art. 15d Wet op de loonbelasting 1964Art. 47 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaste kostenvergoeding mag niet achteraf worden gewijzigd bij loonbelasting naheffing

Belanghebbende, een metselbedrijf, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de periode 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2002, inclusief een boete. Na bezwaar werden de aanslag en boete verminderd voor het jaar 2002, maar het Hof verklaarde het beroep ongegrond voor de overige jaren. Belanghebbende stelde dat een deel van de vaste kostenvergoeding koffiegeld betrof, maar het Hof verwierp dit omdat dit niet aannemelijk was gemaakt.

De Hoge Raad bevestigde dat vaste kostenvergoedingen niet achteraf mogen worden gewijzigd op basis van andere kosten dan vooraf of bij betaling zijn gespecificeerd. De CAO-vergoeding van ƒ 4 per dag bestond uit werkkleding, laarzen en gereedschap, waarbij koffiegeld in de onderzochte jaren niet was opgenomen. De boete werd verminderd met 10% vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest enkel voor wat betreft de boetebeslissing en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen. Het arrest werd gewezen op 7 maart 2008 door raadsheren van Amersfoort, Bavinck en Leemreis.

Uitkomst: De boete werd verminderd en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard behalve voor de boetebeslissing.

Uitspraak

Nr. 41.623
7 maart 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 25 maart 2005, nr. BK 381/03, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd voor zover deze betrekking hebben op het jaar 2002.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 24 oktober 2007 geconcludeerd tot verwerping van de klachten, tot gegrondverklaring van het beroep op een ambtshalve bijgebrachte grond en tot vermindering van de boete met 10 percent.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende oefent een metselbedrijf uit, waarin tevens timmerwerkzaamheden worden uitgevoerd.
3.1.2. Bij een boekenonderzoek, dat begin 2000 door de Inspecteur is uitgevoerd, is geconstateerd dat belanghebbende reeds jaren aan al haar werknemers een vaste kostenvergoeding van ƒ 4 per dag uitbetaalt.
3.1.3. Met het oog op de toekomst is met de Inspecteur een afspraak gemaakt over een kostentoets. Deze bestond uit een steekproef onder veertien door de Inspecteur aangewezen werknemers, die vanaf 1 november 2000 gedurende een periode van één jaar de bonnen met betrekking tot de door hen aangeschafte werkkleding, schoenen en gereedschappen dienden te bewaren.
3.1.4. Na ommekomst van het jaar hadden twee werknemers geen bonnen bewaard, en was een derde werknemer zonder bonnen in te leveren uit dienst getreden. De gemiddelde besteding per werknemer is door de Inspecteur aan de hand van de steekproef berekend door het totaalbedrag van de ingeleverde en door hem geaccepteerde bonnen te delen door dertien, hetgeen een gemiddelde vergoeding per werknemer van ƒ 199,45 per jaar opleverde. De Inspecteur heeft een gedeelte van de door belanghebbende verstrekte vaste kostenvergoeding als bovenmatig aangemerkt en ter zake hiervan de naheffingsaanslag opgelegd.
3.1.5. De door belanghebbende in de jaren 2000 en 2001 verstrekte vaste vergoeding is gerelateerd aan de CAO-vergoeding van ƒ 4 per dag. Deze CAO-vergoeding bestaat sinds 1 juli 1999 uit drie componenten, te weten werkkleding (ƒ 1,80), laarzen (ƒ 1,10) en gereedschap (ƒ 1,10). In voorafgaande jaren was ook koffiegeld begrepen in de CAO-vergoeding. Belanghebbende heeft van de vergoedingen geen voorafgaande specificatie aan het personeel verstrekt.
3.2. Ingevolge artikel 11, lid 1, aanhef en letter j, onder 3, van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 5a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (jaar 2000) respectievelijk artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 47 Uitvoeringsregeling Pro loonbelasting 2001 (jaar 2001) behoren vaste vergoedingen niet tot het loon voor zover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd.
3.3. Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer aangevoerd dat een deel van de door haar verstrekte kostenvergoeding kan worden aangemerkt als koffiegeld. Het Hof heeft deze stelling verworpen en daartoe overwogen dat omdat ten tijde van het boekenonderzoek in 2000 noch nadien aannemelijk is geworden dat er door belanghebbende koffiegeld aan haar werknemers werd verstrekt, een deel van de vaste kostenvergoeding achteraf niet meer als zodanig kan worden geduid.
Voor zover het middel zich tegen dit oordeel richt, kan het niet tot cassatie leiden. Koffiegeld was in de onderhavige jaren niet opgenomen in de specificatie van de CAO-vergoeding, welke - nu overigens een specificatie ontbrak - kan gelden als specificatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen. Het middel miskent dat voor de toepassing van de hiervoor in 3.2 vermelde bepalingen niet aan eenmaal verstrekte vaste kostenvergoedingen achteraf andere kosten ten grondslag mogen worden gelegd dan die welke vooraf of uiterlijk bij de betaling ervan naar aard en veronderstelde omvang zijn gespecificeerd.
3.4. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 11 februari 2005. Op het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, zijn mitsdien gerekend vanaf die dag meer dan twee jaren verstreken. Dit levert een aan de cassatieprocedure toe te schrijven overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro op. De Hoge Raad zal om die reden de boete verminderen met een bedrag gelijk aan 10 percent van de na de vermindering door de Inspecteur resterende boete.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boete, en vermindert de boete tot op een bedrag van € 1879,20.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2008.