ECLI:NL:HR:2008:BB9249

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/283HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt nietigheid ontslag op staande voet en verplicht doorbetaling loon

In deze arbeidsgeschilprocedure stond de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet centraal. Verweerder werd op 4 oktober 2002 door eiseres op staande voet ontslagen. Verweerder stelde dat dit ontslag nietig was en vorderde loonbetaling vanaf die datum tot het einde van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag nietig was en veroordeelde eiseres tot betaling van loon over de periode 4 oktober 2002 tot 1 december 2002.

Eiseres ging in hoger beroep, maar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Vervolgens stelde eiseres beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat de aangevoerde klachten geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was en dat eiseres gehouden was tot doorbetaling van loon. Tevens werd eiseres veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard en eiseres is veroordeeld tot doorbetaling van loon.

Uitspraak

8 februari 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/283HR
MK/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 4 november 2002 [eiseres] gedagvaard voor de kantonrechter te Helmond en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat het door [eiseres] op 4 oktober 2002 gegeven ontslag op staande voet nietig is en doorbetaling van loon vanaf 4 oktober 2002 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, met rente en kosten.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 september 2003 voor recht verklaard dat het door [eiseres] aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet nietig is en [eiseres] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van het loon over de periode van 4 oktober 2002 tot 1 december 2002, met rente en kosten.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Na een tussenarrest van 7 juni 2005 heeft het hof bij eindarrest van 2 mei 2006 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 8 februari 2008.