ECLI:NL:HR:2008:BC1959
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Toepassing vrijstelling successierecht bij verkrijging uit nalatenschap in tariefgroep I
Belanghebbenden hebben uit de nalatenschap van hun vader, die in 2002 overleed, ieder een kindsdeel verkregen dat het drempelbedrag van artikel 32 lid 1 aanhef Pro en onder 4° SW overschreed. De Inspecteur had aanslagen in het recht van successie opgelegd die na bezwaar werden verminderd. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslagen verder, waarbij het oordeelde dat de vrijstelling van artikel 32 lid 1 aanhef Pro en onder 7° SW niet van toepassing was op verkrijgingen door kinderen in tariefgroep I.
Belanghebbenden stelden in cassatie dat deze vrijstelling wel van toepassing zou moeten zijn. De Hoge Raad overweegt dat de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 32 SW Pro duidelijk maken dat de voetvrijstelling bedoeld is voor verkrijgers in tariefgroepen II en III, en niet voor kinderen en echtgenoten in tariefgroep I. De tekst en het systeem van artikel 32 SW Pro laten deze uitleg toe en de middelen van belanghebbenden falen.
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van het Hof. Er worden geen proceskosten aan belanghebbenden opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2008.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.