ECLI:NL:HR:2008:BC2338
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wegens ontbreken stellige klacht en termijnoverschrijding
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De schriftuur die namens de verdachte is ingediend, bevatte geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een vormvoorschrift door de rechter. Hierdoor voldoet het middel niet aan de wettelijke vereisten voor onderzoek door de cassatierechter.
Daarnaast heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, wat een vereiste is volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Door het niet naleven van deze termijn kan de verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het beroep.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 29 januari 2008.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een stellige klacht en het niet naleven van de wettelijke termijn.