ECLI:NL:HR:2008:BC3787

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01225/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359.2 SvArt. 6 EVRMArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het hof had een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, aangezien het cassatieberoep op 20 april 2006 werd ingesteld en de stukken pas op 26 april 2007 bij de Hoge Raad zijn ingekomen. Dit leidt tot strafvermindering.

Verder faalt het middel dat klaagt over het ontbreken van een motivering waarom het hof is afgeweken van het verdedigingsstandpunt betreffende de onbetrouwbaarheid van getuigenverklaringen, omdat het middel niet voldoende precieze aanduiding bevat van het onderbouwde standpunt.

De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot twee jaar en negen maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

12 februari 2008
Strafkamer
nr. 01225/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, van 10 april 2006, nummer 22/007222-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Dordrecht, van 18 november 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B (oud) van de Opiumwet, gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering van die straf en verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte heeft op 20 april 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 26 april 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuigen wegens onjuistheid of onbetrouwbaarheid niet tot het bewijs konden worden gebezigd.
4.2. Het middel faalt, reeds omdat daarin niet met voldoende precisie wordt aangeduid op welk onderbouwd standpunt het oog heeft. Dienaangaande kan niet worden volstaan met een enkele verwijzing naar de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie.
5. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze twee jaar en negen maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 februari 2008.