ECLI:NL:HR:2008:BC3787
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het hof had een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, aangezien het cassatieberoep op 20 april 2006 werd ingesteld en de stukken pas op 26 april 2007 bij de Hoge Raad zijn ingekomen. Dit leidt tot strafvermindering.
Verder faalt het middel dat klaagt over het ontbreken van een motivering waarom het hof is afgeweken van het verdedigingsstandpunt betreffende de onbetrouwbaarheid van getuigenverklaringen, omdat het middel niet voldoende precieze aanduiding bevat van het onderbouwde standpunt.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot twee jaar en negen maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.