ECLI:NL:HR:2008:BC4329
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling BPM bij gebruik buitenlandse auto door werknemer in Nederland in strijd met EU-verkeer van werknemers
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd die na bezwaar en beroep bij het hof werd gehandhaafd. Het hof oordeelde dat een verzoek om vrijstelling van BPM ingevolge het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 voorafgaand aan het gebruik van de auto op de openbare weg in Nederland moest worden ingediend. Omdat belanghebbende hier niet aan had voldaan, werd de vrijstelling geweigerd.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet heeft getoetst of de situatie van belanghebbende valt onder de bescherming van artikel 39 EG Pro, dat het vrije verkeer van werknemers waarborgt. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie mag een lidstaat wel een procedure voorschrijven om de toepasselijkheid van artikel 39 EG Pro te verifiëren, maar het evenredigheidsbeginsel verbiedt dat het niet naleven van die procedure leidt tot een disproportionele sanctie zoals een volledige BPM-heffing zonder inhoudelijke toets.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor nader onderzoek of belanghebbende de auto onder omstandigheden gebruikte die vallen onder de vrijheid van werknemersverkeer zoals bedoeld in artikel 39 EG Pro. Tevens wordt bepaald dat de Staat het griffierecht voor het cassatieberoep aan belanghebbende vergoedt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor nader onderzoek en beslissing.