ECLI:NL:HR:2008:BC4811

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43289
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst terug voor nieuwe beslissing op bezwaar inkomstenbelasting 2000

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen deze aanslag niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn was ingediend. Het hof had het beroep gegrond moeten verklaren en de uitspraak van de Inspecteur moeten vernietigen. Vervolgens had de Inspecteur opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en draagt de Inspecteur op om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staat in de proceskosten van het cassatiegeding en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar de Inspecteur voor een nieuwe beslissing op het bezwaar.

Uitspraak

Nr. 43.289
22 februari 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 juli 2006, nr. 03/01204, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht.
3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
De Inspecteur heeft bij de in beroep bestreden uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. De gedingstukken laten echter geen andere gevolgtrekking toe dan dat de dagtekening van het aanslagbiljet 5 september 2002 is en dat het bezwaarschrift bij de Inspecteur is ingekomen op 16 oktober 2002, dat is binnen de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het bezwaar is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In verband hiermee had het Hof het beroep gegrond in plaats van ongegrond moeten verklaren en de uitspraak van de Inspecteur moeten vernietigen, om pas daarna te beslissen omtrent het inhoudelijke geschilpunt.
4. Beoordeling van de klachten
Met betrekking tot de klacht dat het Hof heeft verzuimd de Inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt - of, zoals in dit geval, diende te vernietigen -, moet de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, Awb de inspecteur opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (vgl. HR 9 juni 2006, nr. 41130, BNB 2006/290).
's Hofs uitspraak vermeldt geen grond voor afwijking van voormelde regel, terwijl de stukken van het geding niet tot de conclusie dwingen dat goede grond daarvoor aanwezig was. De klacht slaagt derhalve. De overige klachten behoeven geen behandeling.
5. Slotsom
Het hiervoor onder 3 en 4 overwogene brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Inspecteur zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 43290 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
draagt de Inspecteur op om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 31, derhalve in totaal € 136,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 966, derhalve € 483, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2008.