ECLI:NL:HR:2008:BC5931
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn bij verstekvonnis en betekening aan verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken.
Het centrale geschilpunt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro tussen het verstekarrest van 9 oktober 2001 en de betekening van dat arrest aan verdachte op 17 oktober 2006. De verdachte stond gedurende deze periode ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een bekend adres.
De Hoge Raad constateert dat niet is gebleken dat de verstekmededeling binnen een jaar na het arrest aan verdachte is uitgereikt, zodat de vertraging voor rekening van het Openbaar Ministerie komt. Hoewel de redelijke termijn is overschreden, acht de Hoge Raad gezien de korte straf en de mate van overschrijding geen aanleiding tot strafvermindering of andere rechtsgevolgen.
Het tweede middel van cassatie faalt eveneens. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de straf van vier weken gevangenisstraf.