ECLI:NL:HR:2008:BC5938
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens persoonsverwisseling bij veroordeling op grond van Opiumwet
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een onherroepelijk vonnis van de Politierechter te Utrecht uit 2003, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en opzetheling. De aanvraag berust op het ernstige vermoeden van persoonsverwisseling: niet de aanvrager, maar zijn broer zou de strafbare feiten hebben gepleegd.
Onderzoek door de regiopolitie Utrecht en een ambtsbericht van de Officier van Justitie bevestigden dat de aangehouden persoon niet de aanvrager was, maar diens broer die jarenlang de naam van de aanvrager gebruikte. Deze persoonsverwisseling was niet bekend bij het Openbaar Ministerie tijdens het oorspronkelijke proces.
De Hoge Raad oordeelt dat deze omstandigheid, als bedoeld in art. 457 Sv Pro, een grond vormt voor herziening. De rechtbank zou de aanvrager hebben vrijgesproken indien zij op de hoogte was geweest van de persoonsverwisseling. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam.