ECLI:NL:HR:2008:BC5939
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toelaatbaarheid vervangende hechtenis bij ontneming op grond van VOGP
De zaak betreft een verzoek van de Britse autoriteiten om de tenuitvoerlegging in Nederland van twee rechterlijke beslissingen: een gevangenisstraf van zes jaar wegens medeplegen van witwassen en een vervangende vrijheidsontneming van drie jaar wegens het niet betalen van een ontnemingsbedrag. De Rechtbank Haarlem verklaarde beide tenuitvoerleggingen toelaatbaar en legde de veroordeelde een gevangenisstraf van vijftig maanden en een betalingsverplichting van € 1.153.071,75 op.
In cassatie richt het geschil zich op de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsontneming. De Hoge Raad stelt vast dat de vervangende hechtenis in Engeland afhankelijk is van het al dan niet voldoen aan de betalingsverplichting en dat de Nederlandse wet sinds 2003 geen vervangende vrijheidsontneming kent. Volgens het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) valt een dergelijke sanctie niet onder het begrip 'veroordeling' dat ten grondslag ligt aan de tenuitvoerlegging.
De Hoge Raad vernietigt daarom het besluit tot tenuitvoerlegging van deze sanctie en verklaart dat deze niet toelaatbaar is op grond van het VOGP. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat Nederland niet verplicht is een sanctie uit te voeren die niet verenigbaar is met de Nederlandse wetgeving en het toepasselijke verdrag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wegens niet-betaling van ontnemingsbedrag op grond van het VOGP.