ECLI:NL:HR:2008:BC6140

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03267/06 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WEDArt. 23 WEDArt. 184 SrArt. 1 WEDArt. 2 WED
Verwijzingen
12 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van bewustzijn opzet bij niet voldoen aan vordering Wet op de economische delicten

Op 25 juni 2004 werd verdachte in de gemeente West Maas en Waal door een opsporingsambtenaar van de regiopolitie Gelderland-Zuid vordering gedaan om zijn voertuig tot stilstand te brengen op grond van artikel 23 van Pro de Wet op de economische delicten (WED), met het oog op naleving van de Flora- en Faunawet. Verdachte voldeed niet aan deze vordering.

De tenlastelegging betrof het opzettelijk niet voldoen aan deze vordering krachtens artikel 26 WED Pro. Het Hof sprak verdachte vrij omdat het niet overtuigd was dat verdachte zich bewust was dat de vordering steunde of kon steunen op een voorschrift van de WED. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat voor strafbaarheid op grond van art. 26 WED Pro vereist is dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte zich richt op het bewustzijn dat de opsporingsambtenaar handelde krachtens een voorschrift van de WED.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal en bevestigde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had omtrent het begrip 'opzettelijk' in art. 26 WED Pro. Tevens werd benadrukt dat ook vorderingen op grond van de zogenaamde 'accessoire bevoegdheid' van art. 23, vierde lid, WED onder art. 26 WED Pro vallen.

Hiermee blijft de vrijspraak in stand omdat het vereiste bewustzijn van de wettelijke grondslag van de vordering ontbrak bij verdachte. Het arrest verduidelijkt de uitleg van het opzetvereiste bij economische delicten en bevestigt het onderscheid met art. 184 Sr Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat verdachte zich niet bewust was dat de vordering steunde op een voorschrift van de Wet op de economische delicten.

Uitspraak

11 maart 2008
Strafkamer
nr. 03267/06
SM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 16 oktober 2006, nummer 21/003394-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 28 juni 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij zijn vrijspraak de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door blijk te geven van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 26 Wet Pro op de economische delicten (hierna: WED) ontleende, term 'opzettelijk'.
3.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 25 juni 2004 in de gemeente West Maas en Waal, op of nabij de Kavelweg te Dreumel opzettelijk niet heeft voldaan aan de vordering het door hem bestuurde vervoermiddel tot stilstand te brengen, waartoe hem door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] van de regiopolitie Gelderland-Zuid krachtens artikel 23 van Pro de Wet op de Economische Delicten, met het oog op de naleving van de voorschriften gesteld bij of krachtens de Flora- en Faunawet, een stopteken als bedoeld in het "Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990" werd gegeven."
3.2.2. Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken. Het Hof heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:
"Het Hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen - en met name niet uit de inhoud van de vordering en de omstandigheden waaronder zij plaatsvond - de overtuiging bekomen, dat de verdachte zich ervan bewust is geweest dat de vordering om het door hem bestuurde vervoermiddel tot stilstand te brengen steunde of althans kon steunen op een voorschrift van de Wet op de economische delicten, zodat de verdachte van het tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken."
3.3.1. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
- Art. 1, aanhef en onder 5°, WED:
"Economische delicten zijn:
(...)
5°. de delicten, genoemd in de artikelen 26, 33 en 34."
- Art. 2, vijfde lid, WED:
"De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 5°, zijn misdrijven."
- Art. 6, eerste lid, aanhef en onder 1° en 2°, WED:
"1. Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1°. in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
2°. in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie."
- Art. 23, eerste en vierde lid, WED:
"1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
(...)
4. Zij zijn bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is."
- Art. 26 WED Pro:
"Het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens enig voorschrift van deze wet gedaan door een opsporingsambtenaar, is een economisch delict."
- Art. 184, eerste lid, Sr:
"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."
3.3.2. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 juni 1950, houdende vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en de berechting van economische delicten (Stb. K 258), houdt ten aanzien van art. 26 WED Pro het volgende in:
"Het opzettelijk niet voldoen aan een wettelijk bevel van een opsporingsambtenaar is in het algemeen strafbaar gesteld bij artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Dit misdrijf wordt aldaar bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Deze algemene strafbepaling kan echter ten aanzien van de opsporing van economische delicten niet voldoen. (...)
Een ander bezwaar is, dat de strafmaxima van artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht in geen enkele verhouding staan tot de grote belangen, welke bij economische delicten en bij een afdoende controle daarop zijn betrokken."
(Kamerstukken II 1947-1948, 603, nr. 3, p. 23)
3.3.3. Voorts houdt het verslag omtrent de ingediende amendementen met betrekking tot genoemd wetsvoorstel in, voor zover hier van belang:
"Een lid van de commissie bracht aan het slot van het overleg de vraag ter sprake of artikel 26 van Pro het Nader gewijzigd ontwerp van Wet opzet eist, gericht op alle bestanddelen van het in dit artikel omschreven strafbare feit. De Minister verklaarde zich bereid deze vraag nader onder ogen te zien. Te dien opzichte heeft de Minister, nader het volgende medegedeeld.
Naar het oordeel van de Minister moet de gestelde vraag bevestigend worden beantwoord. De plaatsing van het woord "opzettelijk" aan het begin der bepaling laat geen andere opvatting toe. Artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht komt in dit opzicht geheel met het onderhavige artikel 26 overeen Pro; en ten aanzien van artikel 184 van Pro genoemd wetboek wordt
- anders dan b.v. ten aanzien van artikel 180 van Pro dat wetboek - algemeen aangenomen, dat het opzet gericht moet zijn op alle bestanddelen, dus ook op het feit, dat de vordering (c.q. het bevel of de handeling) van de ambtenaar steunt op enig wettelijk voorschrift. Vide Noyon-Langemeyer II, 5e druk, p. 340, en Simons II, 6e druk, p. 436.
Voorwaardelijk opzet is intussen voldoende en de rechter is spoedig geneigd dit aan te nemen; cf. arrest Hoge Raad 23 Mei 1932, W. 12503 en N. J. 1932, blz. 1209.
Wat voornoemd artikel 26 betreft Pro, hier is niet voldoende, dat de dader er rekening mede houdt, dat de vordering steunt op enig wettelijk voorschrift, maar geëist wordt dat de dader er zich van bewust is, dat de vordering steunt, of althans, kan steunen, op een voorschrift van deze wet. In dit geval moet dus een meer gepreciseerde opzet bij de dader aanwezig zijn. Het is in overeenstemming met het speciale karakter van artikel 26 een Pro dergelijk meer gepreciseerd opzet te eisen."
(Kamerstukken II 1949-1950, 603, nr. 16, p. 3)
3.4. De tenlastelegging is toegesneden op art. 26 WED Pro. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende term 'opzettelijk' geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.
3.5. Uit de tekst van art. 26 WED Pro, waarin het begrip 'opzettelijk' ziet op alle bestanddelen van het in die bepaling omschreven strafbare feit, volgt, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor onder 3.3.2 en 3.3.3 weergegeven parlementaire geschiedenis, dat voor strafbaarheid van het in deze bepaling bedoelde misdrijf is vereist dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte betrekking heeft op de omstandigheid dat de opsporingsambtenaar bij het doen van de vordering handelde krachtens enig voorschrift van de WED. Anders dan ten aanzien van art. 184 Sr Pro geldt, is voor strafbaarheid van het niet voldoen aan een vordering als bedoeld in art. 26 WED Pro niet voldoende dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte is gericht op het feit dat de ambtenaar handelde krachtens enig wettelijk voorschrift.
3.6. Het Hof heeft, als hiervoor in 3.2.2 weergegeven, overwogen dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat het Hof niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte zich ervan bewust is geweest dat de vordering om het door hem bestuurde vervoermiddel tot stilstand te brengen, steunde of althans kon steunen op een voorschrift van de WED. Aldus heeft het Hof, naar uit het hiervoor in 3.5 overwogene volgt, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in de tenlastelegging voorkomende begrip 'opzettelijk'.
De stelling in de toelichting op het middel dat art. 26 WED Pro enkel van toepassing is op in de WED neergelegde zelfstandige bevoegdheden en niet op de "accessoire bevoegdheid" als bedoeld in art. 23, vierde lid, WED is onjuist. Zij strookt niet met de tekst van art. 26 WED Pro en is in strijd met doel en strekking van deze bepaling. Ook de vordering tot stilhouden ingevolge art. 23, vierde lid, WED is een vordering krachtens enig voorschrift van de WED gedaan, waarop art. 26 WED Pro van toepassing is.
Het Hof heeft dan ook door te overwegen en te beslissen als voormeld de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.
3.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 11 maart 2008.