ECLI:NL:HR:2008:BC6698

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/309HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontslag op staande voet wegens werkverzuim

Eiser heeft bij de rechtbank Rotterdam gevorderd dat het ontslag op staande voet per 19 november 2001 nietig wordt verklaard en dat verweerster tot betaling van diverse geldvorderingen wordt veroordeeld. De kantonrechter wees de vorderingen af, een oordeel dat door het gerechtshof 's-Gravenhage werd bekrachtigd. Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd.

Het arrest bevestigt daarmee het oordeel van de lagere rechter dat het ontslag op staande voet wegens werkverzuim rechtsgeldig was en dat de vorderingen van eiser ongegrond zijn. Eiser is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet wegens werkverzuim blijft rechtsgeldig.

Uitspraak

14 maart 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/309HR
IV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 26 april 2002 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (sector kanton) en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat het hem met ingang van 19 november 2001 gegeven ontslag nietig is, alsmede [verweerster] te veroordelen tot voldoening van een aantal geldvorderingen over de periode vanaf 19 november 2001.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft, na [eiser] bij tussenvonnis van 20 augustus 2002 tot bewijslevering te hebben toegelaten, bij eindvonnis van 4 maart 2003 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Tegen beide vonnissen van de kantonrechter heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenarrest van 27 mei 2005 waarbij [verweerster] tot bewijslevering is toegelaten, heeft het hof bij eindarrest van 4 augustus 2006 het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 16 januari 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 maart 2008.