ECLI:NL:HR:2008:BC6698
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontslag op staande voet wegens werkverzuim
Eiser heeft bij de rechtbank Rotterdam gevorderd dat het ontslag op staande voet per 19 november 2001 nietig wordt verklaard en dat verweerster tot betaling van diverse geldvorderingen wordt veroordeeld. De kantonrechter wees de vorderingen af, een oordeel dat door het gerechtshof 's-Gravenhage werd bekrachtigd. Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het hof.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd.
Het arrest bevestigt daarmee het oordeel van de lagere rechter dat het ontslag op staande voet wegens werkverzuim rechtsgeldig was en dat de vorderingen van eiser ongegrond zijn. Eiser is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet wegens werkverzuim blijft rechtsgeldig.