ECLI:NL:HR:2008:BC8229
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden onjuiste veroordeling
De aanvrage tot herziening betrof een veroordeling voor verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, waarbij de aanvrager was veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
De aanvrage berustte op nieuwe verklaringen van vijf personen en de aangeefster zelf, die stelden dat de aanvrager ten onrechte was veroordeeld omdat de aangeefster onder druk onwaarheden had verklaard. De aangeefster gaf echter aan zich de gebeurtenissen niet meer te kunnen herinneren en had slechts een hoop dat de zaak ten goede van de aanvrager zou worden beslist.
De Hoge Raad oordeelde dat deze verklaringen onvoldoende waren om een ernstig vermoeden te wekken dat het oorspronkelijke onderzoek tot een andere uitkomst had geleid. De verklaringen waren grotendeels van horen zeggen en ondersteunden de stelling niet dat de aangeefster destijds onwaarheden had verklaard.
Daarom werd de aanvrage tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden dat de veroordeling onjuist was.