ECLI:NL:HR:2008:BC8658
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Redelijke termijn bij voorlopige maatregel ex artikelen 28 en 29 Wet op de economische delicten
In deze zaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn van berechting korter dient te zijn indien een voorlopige maatregel ex artikelen 28 en 29 van de Wet op de economische delicten (WED) is opgelegd. De verdachte had op 20 juni 2002 een voorlopige maatregel opgelegd gekregen die hem verbood bepaalde producten te verkopen en buiten de vestiging te brengen. De rechtbank wees op 1 april 2004 vonnis, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De verdediging stelde dat de redelijke termijn korter moest zijn, namelijk zestien maanden in plaats van twee jaar, omdat de voorlopige maatregel gelijk zou staan aan voorlopige hechtenis. Het hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat de redelijke termijn van twee jaar van toepassing is, omdat een voorlopige maatregel niet gelijkgesteld kan worden met voorlopige hechtenis. De overschrijding van de termijn in hoger beroep leidde niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, mede vanwege de ernst van het ten laste gelegde en de voortvarendheid van de procedure.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en stelde dat onvoldoende grond bestaat om de redelijke termijn bij voorlopige maatregelen te verkorten zoals bij voorlopige hechtenis. Wel dienen aard, duur en ingrijpendheid van de maatregel meegewogen te worden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de redelijke termijn bij voorlopige maatregel ex art. 29 WED is gelijk aan twee jaar en niet korter.