ECLI:NL:HR:2008:BC8673
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vrijspraak ambtenaar in bouwfraudezaak wegens onjuiste uitleg 'wetende dat'
In deze zaak stond een ambtenaar van Rijkswaterstaat terecht wegens het aannemen van giften van een aannemersbedrijf, waaronder kosten van buitenlandse reizen en andere voordelen, met het oogmerk om hem te bewegen in strijd met zijn plicht te handelen. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het oordeelde dat hij niet wist of begreep dat deze giften bedoeld waren als tegenprestatie, en dat voorwaardelijk opzet onvoldoende was voor een veroordeling.
De Hoge Raad stelt in cassatie dat de term 'wetende dat' in de artikelen 362 en 363 van het oude Wetboek van Strafrecht opzet omvat, waaronder ook voorwaardelijk opzet valt. Het hof heeft hierdoor een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door te veronderstellen dat voorwaardelijk opzet niet volstaat. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling.
De zaak betreft onder meer giften zoals reis- en verblijfskosten van golfreizen naar Schotland, Ierland en Zwitserland, geldbedragen en andere voordelen, die de verdachte als hoofd van een afdeling bij Rijkswaterstaat zou hebben aangenomen. Het hof achtte aannemelijk dat de reizen ook zakelijke doeleinden hadden en dat de verdachte niet wist dat het om giften ging om een tegenprestatie te verkrijgen.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever met 'wetende dat' in algemene zin opzet bedoelt, inclusief voorwaardelijk opzet, en dat het hof ten onrechte deze uitleg heeft beperkt. Hierdoor kan de vrijspraak niet in stand blijven en moet het hof opnieuw oordelen over de feiten en het bewijs met de juiste rechtsopvatting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling met de juiste uitleg van 'wetende dat'.