ECLI:NL:HR:2008:BC8863

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11670 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Politierechter te Breda uit 2005, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van eigendom. De aanvrage tot herziening werd ingediend bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van de wettelijke criteria voor herziening, zoals neergelegd in artikel 457 Sv Pro en 459 Sv. Deze vereisen dat het verzoek gebaseerd moet zijn op nieuwe, feitelijke omstandigheden die tijdens de oorspronkelijke terechtzitting niet aan het licht zijn gekomen en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid, zoals vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging.

De Hoge Raad concludeerde dat de aanvrage geen dergelijke nieuwe feiten bevatte en daarom niet ontvankelijk kon worden verklaard. Het verzoek werd derhalve afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 8 april 2008.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

8 april 2008
Strafkamer
nr. 07/11670 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 12 juli 2005, nummer 02/620305-05, ingediend door:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro, subsidiair acht dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 8 april 2008.