ECLI:NL:HR:2008:BC8863
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feiten
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Politierechter te Breda uit 2005, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van eigendom. De aanvrage tot herziening werd ingediend bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van de wettelijke criteria voor herziening, zoals neergelegd in artikel 457 Sv Pro en 459 Sv. Deze vereisen dat het verzoek gebaseerd moet zijn op nieuwe, feitelijke omstandigheden die tijdens de oorspronkelijke terechtzitting niet aan het licht zijn gekomen en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid, zoals vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvrage geen dergelijke nieuwe feiten bevatte en daarom niet ontvankelijk kon worden verklaard. Het verzoek werd derhalve afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 8 april 2008.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten.