ECLI:NL:HR:2008:BC9186
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor ruchtbaarheid geven bij smaad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen verdachte wegens smaad, waarbij zij ervan werd beschuldigd de goede naam van een persoon te hebben aangetast door beschuldigingen te uiten met het kennelijke doel deze aan een breder publiek bekend te maken.
De bewezenverklaring baseerde zich op een anonieme brief die verdachte aan de moeder van het kind had gestuurd, waarin ernstige beschuldigingen stonden over het gedrag van de aangever jegens zijn dochter. Het hof oordeelde dat verdachte met het verzenden van deze brief het doel had om ruchtbaarheid te geven aan deze feiten. Diverse bewijsmiddelen, waaronder sms-berichten, verklaringen van betrokkenen en het karakter van de brief, werden hiervoor aangevoerd.
In cassatie stelde verdachte dat zij niet het doel had om de beschuldigingen aan een breder publiek bekend te maken. De Hoge Raad verduidelijkte dat 'ruchtbaarheid geven' betekent het ter kennis brengen aan een bredere kring van willekeurige derden. Uit de bewijsmiddelen bleek echter niet dat verdachte de brief met dat kennelijke doel had verzonden; het enkel feit dat de brief door de geadresseerde aan anderen werd getoond, is onvoldoende.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en sprak verdachte vrij van de tenlastelegging. De zaak werd om doelmatigheidsredenen door de Hoge Raad zelf afgedaan.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven aan smaad.