ECLI:NL:HR:2008:BC9934

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/016HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid bij voortzetting onderneming eetcafé

In deze zaak stond een geschil tussen moeder en zoon centraal over de totstandkoming en uitvoering van een overeenkomst tot voortzetting van de exploitatie van een eetcafé. De moeder had de zoon gedagvaard om betaling van bepaalde bedragen te vorderen, welke door de zoon werden bestreden.

De rechtbank veroordeelde de zoon tot betaling, maar het gerechtshof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af. De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat er geen aanleiding was tot nadere motivering, mede vanwege het ontbreken van relevante rechtsvragen voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest bevestigt de beperkende werking van het beginsel van redelijkheid en billijkheid bij de totstandkoming van overeenkomsten omtrent de voortzetting van ondernemingen. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en iedere partij draagt haar eigen kosten.

Uitspraak

6 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/016HR
EV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 16 september 2002 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd na vermeerdering van eis, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen de bedragen van € 6.806,70, en € 1.871,22 (subsidiair € 1.423,35) met rente en incassokosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na comparitie van partijen en na [eiseres] bij tussenvonnis van 11 februari 2004 tot bewijslevering te hebben toegelaten, bij eindvonnis van 27 april 2005 [verweerder] veroordeeld aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.284,82 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.806,70 vanaf 19 februari 2001 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft [verweerder] een voorwaardelijke vordering tot ontbinding van de overeenkomst tot overname van de exploitatie van het café Het Theatertje ingesteld.
Bij arrest van 14 september 2006 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiseres] afgewezen en [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) vordering in reconventie.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of derechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.