ECLI:NL:HR:2008:BD1387

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/054HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:276 BWArt. 13a Wet ABWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Immuniteit van executie voor belastingvordering van buitenlandse staat bij conservatoir beslag

In deze zaak vorderde JCR de opheffing van conservatoir derdenbeslag dat Azeta had gelegd onder JCR ter verzekering van een vordering op de Republiek Chili. Azeta had beslag gelegd op een bedrag dat JCR aan de Republiek Chili verschuldigd was vanwege dividendbelasting. De voorzieningenrechter wees de vordering tot opheffing af, maar het hof vernietigde dit en hechtte de Staat als tussenkomende partij aan, waarna het beslag werd opgeheven.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat belastingvorderingen van een buitenlandse staat als goederen met een publieke bestemming moeten worden beschouwd en daarom immuniteit van executie genieten op grond van het volkenrecht. Dit betekent dat dergelijke vorderingen niet vatbaar zijn voor beslaglegging in Nederland.

De Hoge Raad verwierp de klachten van Azeta dat de vordering niet als een publieke zaak kon worden aangemerkt en dat de commercial exception van toepassing zou zijn. Het hof had voldoende gemotiveerd geoordeeld dat de belastingvordering niet bestemd was voor commerciële doeleinden en dat de immuniteit van executie niet absoluut is, maar wel geldt voor staatseigendommen met een publieke bestemming.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde Azeta in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de belastingvordering van de buitenlandse staat immuniteit van executie geniet en het conservatoir beslag wordt opgeheven.

Uitspraak

11 juli 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/054HR
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
AZETA B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,
t e g e n
1. JAPAN COLLAHUASI RESOURCES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Buitenlandse zaken),
zetelende te 's-Gravenhage,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
VERWEERDERS in cassatie,
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Azeta, JCR en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
JCR heeft bij exploten van 23 juni 2005 Azeta en Republiek Chili in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, opheffing van het op 29 maart 2005 door Azeta onder haar gelegde beslag, en subsidiair veroordeling van Azeta tot opheffing van dat beslag op straffe van een dwangsom.
Azeta heeft de vordering bestreden. Tegen de Republiek Chili heeft de voorzieningenrechter verstek verleend.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van
21 juli 2005 de gevraagde voorziening geweigerd.
Tegen dit vonnis heeft JCR hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Het hof heeft, na tussenarrest van 20 april 2006 waarbij het hof de Staat heeft toegelaten als tussenkomende partij, bij eindarrest van 7 december 2006 het vonnis van de rechtbank vernietigd, en opnieuw rechtdoende, het door Azeta onder JCR ten laste van de Republiek Chili gelegde beslag opgeheven.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Azeta beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat en JCR hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Staat mede door mr. S.M. Kingma, advocaat bij de Hoge Raad, en voor JCR mede door mr. C.M. Reijnen, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) JCR is uit hoofde van haar aandeelhouderschap in een Chileense vennootschap een bedrag van € 1.279.782,-- aan dividendbelasting verschuldigd aan de Republiek Chili.
(ii) Bij (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) verstekvonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 december 1984 is de Republiek Chili veroordeeld tot betaling aan Azeta van een bedrag van USD 15 miljoen, met rente. Op 7 mei 1998 is de Republiek Chili van dat vonnis in verzet gekomen. Op dit verzet was ten tijde van de uitspraak van het thans bestreden arrest van het hof nog niet met kracht van gewijsde beslist.
(iii) Na daartoe op 25 maart 2005 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft Azeta op 29 maart 2005 conservatoir derdenbeslag gelegd onder JCR ter verzekering van haar onder (ii) genoemde vordering op de Republiek Chili.
3.2 JCR heeft opheffing van het beslag gevorderd. De voorzieningenrechter heeft dit geweigerd. In hoger beroep heeft het hof de Staat toegelaten als tussenkomende partij. De Staat heeft gevorderd dat het hof de opheffing zal bevelen van het door Azeta gelegde conservatoir derdenbeslag en wel (primair) op de grond dat de belastingvordering van de Republiek Chili op JCR op grond van de volkenrechtelijke immuniteit van executie niet vatbaar is voor beslag. Het hof heeft het beslag opgeheven.
3.3 Het hof heeft daartoe overwogen:
"4.5. In beginsel kan een schuldenaar zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen (vgl. artikel 3:276 BW Pro). Aangenomen moet echter worden dat het volkenrecht op deze regel een uitzondering kent in de zin van artikel 13a Wet AB, welke inhoudt dat goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst van een vreemde staat, aan executiemaatregelen in Nederland zijn onttrokken. De vordering van de Republiek Chili op JCR wordt door deze uitzondering bestreken.
Het opleggen van belastingaanslagen en invorderen van de daaruit voortvloeiende schulden is immers bij uitstek een publieke, niet commerciële, aangelegenheid en heeft primair tot doel om een staat de financiële mogelijkheden te verschaffen om zijn publieke taak naar behoren te vervullen. Hieruit volgt dat een belastingvordering van een buitenlandse staat moet worden beschouwd als een goed bestemd voor diens openbare dienst, en mitsdien ingevolge een uitzondering als bedoeld in artikel 13a Wet AB immuniteit van executie geniet.
Dit brengt, aldus het hof in rov. 4.6, reeds mee dat het door Azeta onder JCR gelegde conservatoir (verhaals)beslag moet worden opgeheven.
3.4 Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat een inleiding - acht onjuist de aan het arrest ten grondslag liggende gedachte dat een belastingvordering van een vreemde staat reeds als zodanig en uit dien hoofde een goed is dat bestemd is voor de openbare dienst van die staat en (reeds) uit dien hoofde aan executiemaatregelen in Nederland is onttrokken. Onderdeel 3 bouwt op deze klacht voort en strekt ten betoge dat het enkele feit dat bepaalde gelden uit belastingheffing zijn of worden verkregen, respectievelijk dat bepaalde vorderingen uit belastingheffing zijn ontstaan, respectievelijk daarin hun grondslag vinden, op zichzelf nog niet wil zeggen dat zij bestemd zijn voor de openbare dienst van de betrokken staat en uit dien hoofde immuniteit van executie genieten. Onderdeel 4 voegt hieraan toe dat het moet gaan om individualiseerbare en geïndividualiseerde gelden, tegoeden of vorderingen waaraan de vreemde staat ten tijde van de inbeslagneming al een concrete bestemming voor enige in concreto aangewezen openbare dienst had gegeven. Deze onderdelen kunnen tezamen worden behandeld.
3.5 De immuniteit van executie naar de thans in Nederland als ongeschreven volkenrecht aanvaarde regels is, zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14, niet absoluut. Staatseigendommen met een publieke bestemming echter zijn in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie. Naar het hof heeft geoordeeld en de onderdelen 2, 3 en 4 tot uitgangspunt nemen, is de vordering van de Republiek Chili op JCR een belastingvordering. Voor belastingvorderingen geldt dat deze in het algemeen moeten worden aangemerkt als goederen met een publieke bestemming, en derhalve niet vatbaar voor uitwinning. Het betoog van Azeta dat ertoe strekt dat het hof in rov. 4.5 heeft miskend dat een belastingvordering geen immuniteit geniet indien de desbetreffende belastingopbrengst bestemd is voor doeleinden die bij uitstek commerciële belangen van de Staat dienen dan wel beogen te dienen, treft al daarom geen doel omdat in de feitelijke instanties gesteld noch gebleken is dat de opbrengst van de onderhavige belastingvordering geheel of gedeeltelijk bestemd is voor andere dan publieke doeleinden. Voor alle hier aan de orde zijnde onderdelen geldt dus dat zij niet tot cassatie leiden.
3.6 Onderdeel 5, dat klaagt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door niet uitdrukkelijk in te gaan op de tegenwerpingen van Azeta dat de vordering van de Republiek Chili geen belastingschuld betreft doch (in wezen) een privaatrechtelijke vordering is, faalt omdat het oordeel van het hof, gelet op het processueel debat en de door JCR overgelegde produkties, niet onbegrijpelijk is en, mede in aanmerking genomen dat het hier een kort geding betreft, geen nadere motivering behoeft.
3.7 Onderdeel 6, dat klaagt dat het hof, voorzover het van oordeel was dat niet relevant is dat de onderhavige belastingvordering verband houdt met de commerciële exploitatie van een kopermijn door de Republiek Chili, heeft miskend dat de "commercial exception" geldt als uitzondering op de immuniteit van executie, faalt omdat deze exceptie niet betrekking heeft op de herkomst van goederen maar op de bestemming ervan.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Azeta in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van JCR begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van de Staat op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.