ECLI:NL:HR:2008:BD1396

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/045HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid testament en regels bewijsaanbod in nalatenschapsverdeling

In deze zaak stond de verdeling van de nalatenschap van wijlen betrokkene centraal, waarbij eiseres werd veroordeeld tot medewerking aan de deling. De rechtbank had de waarde van de woning vastgesteld op ƒ 80.000,--, maar het hof stelde deze bij op € 46.512,47. Eiseres stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen, waarbij werd bevestigd dat de bewijsaanbieding en het (aanvullend) tegenbewijs aan de strikte eisen van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie moeten voldoen. De klachten van eiseres konden niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad veroordeelde eiseres in de kosten van het cassatiegeding, maar stelde deze aan de zijde van verweerster nihil vast. Hiermee werd de uitspraak van het hof bekrachtigd, waarmee de medewerking aan de verdeling van de nalatenschap definitief werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

20 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/045HR
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 19 mei 1999 [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en gevorderd, kort gezegd, [eiseres] te veroordelen tot medewerking aan de scheiding en deling van de nalatenschap van wijlen [betrokkene 1].
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na tussenvonnissen van 15 oktober 1999 en 29 september 2000 waarbij tot comparitie van partijen is gelast en [verweerster] tot bewijslevering is toegelaten, bij eindvonnis van 11 mei 2001 de vordering van [verweerster] toegewezen, zij het dat de waarde van de woning op ƒ 80.000,-- is bepaald.
Tegen deze vonnissen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Leeuwarden.
Na tussenarresten van 8 oktober 2003, 19 mei 2004 en 5 april 2006, heeft het hof bij eindarrest van 27 september 2006 het vonnis van de rechtbank van 29 september 2000 bekrachtigd en het vonnis van 11 mei 2001 vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het hof [eiseres] veroordeeld tot verlening van medewerking aan de verdeling van de nalatenschap van wijlen [betrokkene 1], zij het dat daarbij de waarde van de woning op € 46.512,47 (ƒ 102.500,--) is bepaald.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 juni 2008.