ECLI:NL:HR:2008:BD1494
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over stuiting verjaring bij kennelijk onredelijk ontslag en eisen schriftelijke mededeling
In deze zaak vordert [eiser] herstel van zijn dienstbetrekking en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag door Trio. Het ontslag vond plaats op 17 maart 2004, waarna [eiser] direct schriftelijk protesteerde. Trio handhaafde het ontslag. [Eiser] stelde dat de verjaringstermijn van zes maanden, zoals bepaald in art. 7:683 BW Pro, door een brief van 16 september 2004 was gestuit.
Het hof Leeuwarden oordeelde dat de brief niet voldeed aan de eisen van art. 3:317 lid 1 BW Pro omdat daarin niet ondubbelzinnig het recht op nakoming werd voorbehouden. Het hof vond dat de brief meer gericht was op vernietiging van het ontslag wegens het ontbreken van toestemming volgens art. 6 BBA Pro 1945 dan op een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de brief, gezien de professionele achtergrond van Trio en de omstandigheden, voldoende duidelijk was om stuiting te bewerkstelligen. De Hoge Raad benadrukt dat de schriftelijke mededeling niet per se de correcte juridische grondslag hoeft te bevatten, maar wel ondubbelzinnig moet zijn in het voorbehoud van het recht op nakoming. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof Arnhem.