ECLI:NL:HR:2008:BD1750
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Begrip nadeel in Aanwijzing sociale zekerheidsfraude omvat ook potentieel nadeel bij poging
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld voor poging tot oplichting door het indienen van valse documenten om onterecht een hogere uitkering te verkrijgen. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was omdat geen daadwerkelijk nadeel was geleden door de uitvoerende instantie, aangezien de poging tijdig was verijdeld.
Het hof oordeelde echter dat de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude ook ziet op het potentiële nadeel in gevallen van poging, waardoor vervolging gerechtvaardigd is ondanks het ontbreken van daadwerkelijk nadeel. Dit oordeel werd onderbouwd met de strekking en reikwijdte van de Aanwijzing en het toepasselijke strafvorderingsbeleid.
De Hoge Raad bevestigt dit standpunt en wijst het cassatieberoep af. Het begrip 'nadeel' omvat mede het potentiële nadeel, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. De veroordeling tot een taakstraf van 120 uren werkstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, blijft in stand.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude en bevestigt dat ook pogingen tot fraude strafrechtelijk vervolgd kunnen worden, ook als de uitvoerende instantie geen daadwerkelijk nadeel heeft geleden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een taakstraf van 120 uren werkstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, blijft in stand.