ECLI:NL:HR:2008:BD1839

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/294HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling legitimaire massa en verdeling nalatenschap in erfrechtelijke procedure

In deze civiele procedure vorderde eiser de verdeling van de nalatenschap van de erflaatster, zijn moeder, waarbij de legitimaire massa moest worden vastgesteld. De rechtbank stelde de legitimaire massa vast op ƒ 1.523.862,-- en bepaalde de verdeling van activa en passiva onder de erfgenamen, met uitkeringen aan eiser en verweerster 1.

Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, waarbij het hof de legitimaire massa verhoogde naar ƒ 1.735.021,59 en de verdeling aanpaste, met hogere uitkeringen aan eiser en verweerster 1. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde de verdeling definitief vast.

Eiser stelde beroep in cassatie tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Tevens werd eiser veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

27 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/294HR
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R. Menschaert,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
2. [Verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerster 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna in navolging van rechtbank en hof ook worden aangeduid als [eiser] (eiser) onderscheidenlijk [verweerster 1] (verweerster sub 1), [verweerster 2] (verweerster sub 2) en [verweerster 3] (verweerster sub 3).
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 22 oktober 2002 [verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerster 3] gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. Zowel [eiser] als [verweerster 2] en [verweerster 3] hebben over en weer vorderingen ingesteld die, kort gezegd, ertoe strekken de boedel van de moeder van partijen, [betrokkene 1] (hierna: de erflaatster) te verdelen op de wijze zoals partijen in hun processtukken hebben omschreven. [Verweerster 1] is in eerste aanleg noch in appel verschenen.
Partijen hebben over en weer de vorderingen in conventie en reconventie bestreden.
De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen en na een deskundigenbericht te hebben bevolen, bij eindvonnis van 5 januari 2005 in conventie en reconventie de legitimaire massa van de nalatenschap van de erflaatster vastgesteld op ƒ 1.523.862,--. Tevens heeft de rechtbank voor recht verklaard dat alle activa en passiva uit de nalatenschap van de erflaatster worden toegedeeld aan [verweerster 2] en [verweerster 3] onder verplichting om aan [eiser] ƒ 142.925,37 (€ 64.856,71) uit te keren en aan [verweerster 1] ƒ 133.154,37 (€ 60.422,82) uit te keren met dien verstande dat op deze bedragen een ieders deel van de boedelkosten nog in mindering dient te worden gebracht.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Verweerster 2] en [verweerster 3] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 27 juli 2006 heeft het hof in het principaal en incidenteel hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd en de legitimaire massa van de nalatenschap van de erflaatster vastgesteld op ƒ 1.735.021,59. Tevens heeft het hof voor recht verklaard dat alle activa en passiva uit de nalatenschap van de erflaatster wordt toegedeeld aan [verweerster 2] en [verweerster 3] onder verplichting om aan [eiser] ƒ 182.524,55 (€ 82.260,--) uit te keren en aan [verweerster 1] ƒ 172.753,37 (€ 78.312,14) uit te keren met dien verstande dat op deze bedragen een ieders deel van de boedelkosten nog in mindering dient te worden gebracht.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster 2] en [verweerster 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen [verweerster 1] is verstek verleend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor verweersters mede namens mr. E.G. van de Pol, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] begroot op nihil, en aan de zijde van [verweerster 2] en [verweerster 3] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 juni 2008.