ECLI:NL:HR:2008:BD1852
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt eis dubbele strafbaarheid bij uitlevering en legaliteitsbeginsel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem waarin uitlevering van een persoon aan Zwitserland werd toegestaan wegens witwassen in de periode 2000 tot september 2002. De verdediging voerde aan dat witwassen in Nederland pas sinds december 2001 strafbaar is, waardoor niet voldaan zou zijn aan de eis van dubbele strafbaarheid.
De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van uitlevering moet worden uitgegaan van de stand van het Nederlandse recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek, niet van het tijdstip waarop de feiten zijn gepleegd. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de mogelijke uitkomst van de exequaturprocedure niet relevant is voor de uitleveringsrechter.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad de stelling dat de exequaturrechter het vereiste van dubbele strafbaarheid moet toetsen aan het tijdstip van de feiten. Het legaliteitsbeginsel wordt niet geschonden wanneer tenuitvoerlegging wordt toegestaan voor feiten die op dat moment nog niet strafbaar waren gesteld in Nederland.
Het cassatieberoep werd verworpen en de uitlevering bleef toelaatbaar. De uitspraak benadrukt de juiste toepassing van het legaliteitsbeginsel en de eis van dubbele strafbaarheid in uitleveringszaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de eis van dubbele strafbaarheid bij uitlevering wordt beoordeeld naar het recht ten tijde van de beslissing.